Platte tekst van het verslag
Openbaar faillissementsverslag
rechtspersoon (ex art. 73A Fw.)
Naam onderneming
Gegevens onderneming
Activiteiten onderneming
Financiële gegevens
Toelichting financiële gegevens
Gemiddeld aantal personeelsleden
Betreft
Algemene gegevens
De Vries Transport Group B.V. 03-07-2018
7
De Vries Transport Group B.V.
De Vries Cargo B.V.
De Vries Distribution B.V.
R.S.C. Groningen Veendam B.V.
De Vries Veendam B.V.
03-07-2018
7
TRANSPORTONDERNEMING 03-07-2018
7
Gemiddeld aantal personeelsleden
Boedelsaldo
285
03-07-2018
7
€ 3.013.864,75
03-07-2018
7
€ 2.976.227,97
02-10-2018
8
€ 4.180.449,81
07-01-2019
9
€ 4.152.427,49
03-04-2019
10
€ 4.150.951,37
02-07-2019
11
€ 4.116.967,12
02-10-2019
12
€ 4.116.486,94
06-01-2020
13
€ 4.113.643,44
03-04-2020
14
€ 4.113.643,44
02-07-2020
15
€ 4.113.643,44
02-10-2020
16
€ 4.113.643,44
08-01-2021
17
€ 4.110.799,94
07-04-2021
18
€ 4.110.799,94
05-07-2021
19
€ 4.097.298,76
04-10-2021
20
€ 4.097.298,76
03-01-2022
21
Verslagperiode
€ 396.601,24
Toelichting
Het teruggelopen saldo kan worden verklaard doordat de restant
boedelvordering van het UWV, alsmede -bij wijze van voorschot- de preferente
vorderingen van de Belastingdienst (minus de t.z.t. nog te verrekenen boedel-
BTW) en het UWV zijn voldaan. Zie ook onder 8.
31-03-2022
22
€ 393.199,61
30-06-2022
23
€ 392.834,12
29-09-2022
24
€ 392.709,77
11-01-2023
25
€ 389.802,67
06-04-2023
26
€ 389.802,67
06-07-2023
27
€ 389.802,67
05-10-2023
28
€ 371.125,28
12-01-2024
29
€ 370.175,43
04-07-2024
31
€ 370.175,43
03-10-2024
32
€ 370.111,83
09-01-2025
33
€ 370.111,83
09-04-2025
34
€ 370.111,83
08-07-2025
35
€ 370.605,52
07-01-2026
37
van 03-07-2018
1-4-2018
t/m
30-6-2018
7
van
1-7-2018
t/m
30-9-2018
02-10-2018
8
van
30-9-2018
t/m
30-12-2018
07-01-2019
9
van
1-1-2019
t/m
31-3-2019
03-04-2019
10
van
1-4-2019
t/m
30-6-2019
02-07-2019
11
van
1-7-2019
t/m
30-9-2019
02-10-2019
12
van
1-10-2019
t/m
31-12-2019
06-01-2020
13
van
1-1-2020
t/m
31-3-2020
03-04-2020
14
van 02-07-2020
15
1-4-2020
t/m
30-6-2020
van
1-7-2020
t/m
30-9-2020
02-10-2020
16
van
1-1-2021
t/m
31-3-2021
07-04-2021
18
van
1-4-2021
t/m
30-6-2021
05-07-2021
19
van
1-7-2021
t/m
30-9-2021
04-10-2021
20
van
1-10-2021
t/m
31-12-2021
03-01-2022
21
van
1-1-2022
t/m
25-3-2022
31-03-2022
22
van
26-3-2022
t/m
24-6-2022
30-06-2022
23
van
25-6-2022
29-09-2022
24
t/m
23-9-2022
van
24-9-2022
t/m
31-12-2022
11-01-2023
25
van
1-1-2023
t/m
31-3-2023
06-04-2023
26
van
1-4-2023
t/m
30-6-2023
06-07-2023
27
van
1-7-2023
t/m
30-9-2023
05-10-2023
28
van
1-10-2023
t/m
31-12-2023
12-01-2024
29
van
1-1-2024
t/m
31-3-2024
05-04-2024
30
van
1-4-2024
t/m
30-6-2024
04-07-2024
31
van
1-7-2024
t/m
03-10-2024
32
Bestede uren
30-9-2024
van
1-10-2024
t/m
3-1-2025
09-01-2025
33
van
4-1-2025
t/m
4-4-2025
09-04-2025
34
van
5-4-2025
t/m
4-7-2025
08-07-2025
35
van
5-7-2025
t/m
30-9-2025
07-10-2025
36
van
1-10-2025
t/m
31-12-2025
07-01-2026
37
Bestede uren
Toelichting bestede uren
VerslagperiodeBestede uren
In verslagperiode:
mr. Holtz: 48,7/ mr. Mastenbroek: 11,0 / J.A. de Vries: 2,0 / mr. Felt: 13,8 / F.
Maatjes: 1,4 / mr. De Lange: 0,5
Totaal: 3772,6 uren
03-07-2018
7
In verslagperiode:
mr. Holtz: 22,6/ mr. Mastenbroek: 6,0 / F. Maatjes: 1,4
Totaal: 3802,6 uren
02-10-2018
8
mr. Holtz: 22,4
mr. Mastenbroek: 2,5
mr. De Lange: 0,7
F. Maatjes: 1,4
Totaal: 3829,6
07-01-2019
9
mr. Holtz: 46,8
mr. Mastenbroek: 4,4
mr. De Lange: 0,3
F. Maatjes: 4,9
03-04-2019
10
mr. Holtz: 14,1
mr. Mastenbroek: 6,8
mr. De Lange: 2,2
F. Maatjes: 0,6
totaal aantal uren: 3909,7
02-07-2019
11
mr. Holtz: 8,5
mr. Mastenbroek: 0,4
mr. De Lange: 0,5
F. Maatjes: 0,9
totaal aantal uren: 3920
02-10-2019
12
mr. Holtz: 2,4
F. Maatjes: 0,7
totaal aantal uren: 3923,1
06-01-2020
13
mr. Holtz: 3,0
F. Maatjes: 0,6
totaal aantal uren: 3926,7
03-04-2020
14
mr. Holtz: 1,1
F. Maatjes: -
J. Dijkstra: 0,3
totaal aantal uren: 3928,1
02-07-2020
15
mr. Holtz: 0,8
F. Maatjes: 0,2
mr. Mastenbroek: 0,1
totaal aantal uren: 3929,2
02-10-2020
16
mr. Holtz: 6,1 08-01-2021
F. Maatjes: 0,3
mr. Mastenbroek: 0,2
totaal aantal uren: 3935,8
17
mr. Holtz: 1,7
F. Maatjes: 0,6
mr. Mastenbroek:
totaal aantal uren: 3938,1
07-04-2021
18
mr. Holtz: 4,1
F. Maatjes: 1,5
mr. Mastenbroek:
totaal aantal uren: 3943,7
05-07-2021
19
mr. Holtz: 2,0
F. Maatjes: 3,7
mr. Mastenbroek:
totaal aantal uren: 3949,4
04-10-2021
20
mr. Holtz: 7,2
F. Maatjes: 3,9
mr. Mastenbroek: 1,6
totaal aantal uren: 3962,1
03-01-2022
21
mr. Holtz: 2,7
F. Maatjes: 3,6
mr. Mastenbroek: 0,1
D. Vegt: 0,3
totaal aantal uren: 3968,8
31-03-2022
22
mr. Holtz: 1,8
F. Maatjes: 0,9
mr. Mastenbroek:
D. Vegt:
totaal aantal uren: 3971,5
30-06-2022
23
mr. Holtz: 0,8
F. Maatjes: 0,4
totaal aantal uren: 3972,7
29-09-2022
24
mr. Holtz: 0,6
F. Maatjes: 1,2
totaal aantal uren: 3974,5
11-01-2023
25
In deze verslagperiode heeft de curator met name tijd gespendeerd i.v.m. het
(laten) royeren van een (zeer oude) ten behoeve van een rechtsvoorganger
van De Vries Distribution B.V. gevestigde hypotheek.
05-04-2024
30
In deze verslagperiode heeft de curator met name tijd besteed aan de
truckkartel procedure.
09-01-2025
33
1.1 Directie en organisatie
1.2 Lopende procedures
1.3 Verzekeringen
1.4 Huur
1.5 Oorzaak faillissement
1. Inventarisatie
Zie organogram (bijlage 1 bij verslag 1)
Directeur van alle vennootschappen is Edwin de Vries
03-07-2018
7
Voor zover bekend:1 (inzake De Vrieze) (afgerond) 03-07-2018
7
Diverse 03-07-2018
7
Huur bedrijfspand De Mars 1 Coevorden (voor zover nodig) opgezegd per 31-
05-2010: in de visie van de curator is deze overeenkomst reeds per 07-09-
2009 beëindigd. Onder meer hierover is een procedure gevoerd tussen de
curator en Penske (de verhuurder); zie verder onder 9.
03-07-2018
7
Zie bijlage 2 bij verslag 1 03-07-2018
7
2.1 Aantal ten tijde van faillissement
2.2 Aantal in jaar voor faillissement
2.3 Ontslagaanzegging
2.4 Werkzaamheden personeel
3.1 Onroerende zaken
Toelichting onroerende zaken
2. Personeel
Personeelsleden
285
03-07-2018
7
Datum AantalToelichting
26-8-2009285
totaal 285
Alle personeelsleden zijn met toestemming van de Rechter-commissaris
ontslagen. De
opzegtermijnen zijn op 1 dan wel 7 oktober 2009 afgelopen. Vrijwel het gehele
personeel
heeft tot en met 13 september 2009 doorgewerkt. Per 7 september 2009 is de
onderneming
voortgezet door IMS Veendam (zie verder onder 6).
03-07-2018
7
In deze (alsmede in de vorige) verslagperiode hebben
advocaten/rechtsbijstandverleners contact opgenomen met de curator inzake
een arbeidsrechtelijk geschil tussen IMS (thans: Husa) en oud werknemers van
DVTG.
02-10-2019
12
3. Activa
Beschrijving Verkoopopbr.Hypotheek Boedelbijdr.
Loodsen aan de Bilitonweg 25 en de
Lloydsweg 27 te Veendam
(eigendom) Silo en kade aan de
Steenweg 7 te Delfzijl (erfpacht)
€ 4.072.334,72€ 2.750.000,00
Toelichting onroerende zaken
3.2 Werkzaamheden onroerende zaken
3.3 Bedrijfsmiddelen
Toelichting bedrijfsmiddelen
3.4 Bodemvoorrecht fiscus
3.5 Werkzaamheden bedrijfsmiddelen
3.6 Voorraden / onderhanden werk
Toelichting voorraden / onderhanden werk
3.7 Werkzaamheden voorraden / onderhanden werk
3.8 Andere activa
€ 3.999.742,67 (loodsen) resp. € 72.592,05 (silo); zie verder onder:
"Werkzaamheden" 3.2
Hypotheek: inschrijving € 9.000.000,- (op de loodsen) openstaande vordering
€ 2.750.000,- maar via overwaarde arrangement ook dekking voor het
meerdere dat openstaat bij ING en ING CF.
Daarnaast was op de loodsen een tweede hypotheek gevestigd t.b.v. CTP
(grootaandeelhouder van De Vries) tot een maximum van € 2 miljoen. Overleg
tussen curatoren (de advocaat van) CTP heeft uiteindelijk geleid tot doorhaling
van deze tweede hypotheek voor de eigendomsoverdracht
03-07-2018
7
De loodsen zijn op 4-11-2009 in eigendom overgedragen aan de gemeente
Veendam voor
een koopsom van € 3.999.742,67. Onder aftrek van vordering ING ad €
3.491.076,36
resteerde voor de boedel een opbrengst van € 508.666,31 (incl. de aan ING
afgedragen
opbrengst verpande inventaris ad € 310.000,-). De curator heeft het recht van
erfpacht op de
silo en de kade op 9 juli 2010 overgedragen aan P.W.J. International B.V. voor
een koopsom
van € 72.500,- (verkoopopbrengst: € 72.592,05).
03-07-2018
7
Beschrijving VerkoopopbrengstBoedelbijdrage
Er was bodembeslag gelegd. 03-07-2018
7
Zie bijlage 3 bij verslag 1 03-07-2018
7
3.8 Andere activa
Toelichting andere activa
3.9 Werkzaamheden andere activa
4.1 Debiteuren
Toelichting debiteuren
4.2 Werkzaamheden debiteuren
Beschrijving VerkoopopbrengstBoedelbijdrage
onderhandelen/overleg alsmede opstellen c.q. toetsen van koopovereenkomst03-07-2018
7
4. Debiteuren
Beschrijving Omvang Opbrengst Boedelbijdr.
Per 25-08-2009: ongeveer € 13
miljoen (omzet tot datum
faillissement, deels nadien
gefactureerd)
€ 13.000.000,00€ 2.126.154,94
Per 31.12.2010 (t.b.v. de boedel, opbrengst t.b.v. pandhouder niet
meegerekend) : €
2.126.154,94 (-/- € 340.000,- excl. BTW buitengerechtelijke kosten ING)
03-07-2018
7
In goed overleg met ING/IFC was eind november 2009 een zodanig gedeelte
van de
debiteuren geïnd, dat ING/ICF volledig kon worden afgelost. Curator heeft
inning
resterende debiteuren ter hand genomen. Ook in verslagperiode 11 heeft de
curator (enige)
tijd besteed aan het innen van de debiteuren.
De debiteureninning is thans afgerond. In verslagperiode 15 is nog enige tijd
besteed aan een Belgische debiteur (Vos Genk), die (naar Belgisch recht)
uitstel van betaling heeft verkregen. Naar verwachting zal in deze kwestie nog
een betaling van een gedeelte van de vordering van DVTG (groot plm
€10.000,-) gedaan worden.
03-07-2018
7
5.1 Vordering van bank(en)
5.2 Leasecontracten
5.3 Beschrijving zekerheden
5.4 Separatistenpositie
5.5 Eigendomsvoorbehoud
5.6 Retentierechten
5.7 Reclamerechten
5. Bank / Zekerheden
€ 12.365.758,00
Toelichting vordering van bank(en)
Per 25-08-2009:
Rekening courant ING € 909.604,-
Hypotheek ING € 2.750.000,-
ING Commercial Finance € 8.697.154,-
Totaal € 12.365.758,-
03-07-2018
7
diverse 03-07-2018
7
pandrecht op debiteuren en inventaris 03-07-2018
7
hierboven onder 3 en 4 03-07-2018
7
Diverse, inmiddels zijn alle goederen opgehaald. 03-07-2018
7
Onderhoudsbedrijf heeft retentierecht geclaimd op een oplegger. Dit is
geaccepteerd. Verkoop van de betreffende oplegger aan IMS is gerealiseerd in
overleg met een onderhoudsbedrijf.
Daarnaast heeft een transportbedrijf een retentierecht geclaimd op een aantal
beschadigde
chassis. Deze chassis zijn verkocht aan een transportbedrijf;
verkoopopbrengst aan boedel
afgedragen. Bij afwikkeling t.z.t. zal rekening worden gehouden met
retentierechten.
Anders dan eerder (hierboven) vermeld, blijkt de verkoopopbrengst
(€ 2.250,- excl. BTW) niet aan de boedel te zijn afgedragen. Het
desbetreffende
transportbedrijf is hierop aangeschreven en zal (zo nodig) in rechte worden
betrokken. In
verslagperiode 11 is dit bedrag voldaan.
03-07-2018
7
5.7 Reclamerechten
5.8 Boedelbijdragen
5.9 Werkzaamheden bank / zekerheden
6.1 Exploitatie / zekerheden
6.2 Financiële verslaglegging
6.3 Werkzaamheden voortzetten onderneming
Met name van belang is dat door zekerheden gedekte vorderingen van
ING/ICF volledig zijn
voldaan, zodat (meer)opbrengst van de verkoop van de loodsen en de
resterende debiteuren
ten goede van de boedel komen. Ook in verslagperiode 5 heeft geregeld
overleg plaatsgevonden, met name inzake de financiële afrekening(zie
hierboven 3.4).
Dit overleg heeft erin geresulteerd dat door ING in verslagperiode 5 een
bedrag van € 25.610,37 (inzake eerder door ING verrekende
buitengerechtelijke kosten) aan de boedel is gerestitueerd.
Met ING is overleg gevoerd in verband met een door haar afgegeven
bankgarantie tot een
bedrag van € 71.000,= ten behoeve van een crediteur die op 15 juni 2016 is
geëxpireerd. Dit overleg heeft geleid tot vrijgave van genoemd bedrag. Na
overboeking op de
faillissementsrekening zal een en ander in het financieel verslag worden
verwerkt. Dat laatste is in verslagperiode 31 gebeurd. Uiteindelijk is door ING
een bedrag van € 71.233,47 op de faillissementsrekening gestort.
03-07-2018
7
6. Voortzetten / doorstart onderneming
Voortzetten onderneming
Zie bijlage 3 bij verslag 1 03-07-2018
7
Zie bijlage 1 bij verslag 4 03-07-2018
7
6.3 Werkzaamheden voortzetten onderneming
6.4 Beschrijving
6.5 Verantwoording
6.6 Opbrengst
6.7 Boedelbijdrage
6.8 Werkzaamheden doorstarten onderneming
7.1 Boekhoudplicht
Werkzaamheden : in verslagperiode 4 heeft de curator een definitieve regeling
bereikt met het consortium over de afwikkeling (debiteuren/crediteuren) van
de garantieperiode (tot en met 6 september 2009). De gemaakte afspraken
zijn neergelegd in een vaststellingsovereenkomst op 15 april 2010. De curator
heeft aan het consortium voldaan een bedrag van € 205.000,- als (finale)
afrekening. In ruil daarvoor kan het consortium geen aanspraak meer maken
op enige opbrengst, gegenereerd in de consortiumperiode c.q. geen enkele
andere aanspraak (bijvoorbeeld uit hoofde van door haar gemaakte kosten)
tegen de curator geldend maken. Dit impliceert, dat de (restant) opbrengst van
de debiteuren in de consortiumperiode thans volledig aan de boedel toekomt.
T.z.t. zal in het financieel verslag (zo nodig) onderscheid worden gemaakt
tussen de prefaillissementsdebiteuren en de debiteuren na datum
faillissement, dit in
verband met de boedel BTW-aangifte. Ook met de Belastingdienst is overleg
gepleegd over de praktische afwikkeling van deze kwestie.
03-07-2018
7
Doorstarten onderneming
Zie bijlage 3 bij verslag 1 03-07-2018
7
Zie bijlage 3 bij verslag 1 03-07-2018
7
Toelichting
Zie bijlage 3 bij verslag 1
03-07-2018
7
In verslagperiode 4 is de overdracht van de aandelen van DVTG in ETC
afgerond. De curator
heeft de opbrengst van deze aandelen afgedragen aan IMS zoals door partijen
overeengekomen in de "activaovereenkomst".
03-07-2018
7
7. Rechtmatigheid
Is aan voldaan. 03-07-2018
7.2 Depot jaarrekeningen
7.3 Goedkeuringsverklaring accountant
7.4 Stortingsverplichting aandelen
7.5 Onbehoorlijk bestuur
7.6 Paulianeus handelen
7.7 Toelichting rechtmatigheid
7.8 Werkzaamheden rechtmatigheid
7
Is aan voldaan voor zover van toepassing. 03-07-2018
7
n.v.t. 03-07-2018
7
n.v.t. 03-07-2018
7
Toelichting
In verslagperiode 7 is met name de rol van de grootaandeelhouder (CTP)
nader onderzocht.
De curator heeft ter zake een aansprakelijkheidsstelling verzonden. In
verslagperiode 8 heeft
CTP op deze aansprakelijkheidsstelling gereageerd. In verslagperiode 11 heeft
de curator een
verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor ingediend, gericht tegen CTP (en ING)
(zie verder
hieronder 9).
03-07-2018
7
Ja
Toelichting
Is in verslagperiode 5 nader onderzocht; alle transacties (vlak) voor de
faillissementsdatum zijn nader bekeken. Hieruit zijn geen onregelmatigheden
gebleken. Wel zal een in de visie van de curator ten onrechte betaalde
managementfee gerestitueerd moeten worden. In dat kader is op 29
november 2010 een bedrag van € 45.755,50 aan de boedel voldaan.
03-07-2018
7
7.8 Werkzaamheden rechtmatigheid
8.1 Boedelvorderingen
8.2 Pref. vord. van de fiscus
Mede aan de hand van besprekingen die hebben plaatsgevonden met de
voormalig
bestuurder en de interim manager en een door eerstgenoemde opgesteld
verslag, heeft de
curator een en ander geïnventariseerd.
In verslagperiode 6 heeft (in november) een door een crediteur van DVTG
geëntameerd
voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Het betrof hier de vraag of van de
zijde van DVTG verplichtingen zijn aangegaan op een moment dat de
bestuurder (Edwin de Vries) wist c.q. behoorde te weten dat DVTG deze
verplichtingen niet (meer) kon nakomen. Gehoord zijn onder meer Edwin de
Vries en de interim manager. De curator heeft deze verhoren laten bijwonen.
Hetgeen aldaar is verklaard, is van belang voor het door de curator verrichte
onderzoek naar onbehoorlijk bestuur c.q. de rol van de grootaandeelhouder.
In verslagperiode 22 heeft de curator een (uitgebreide) concept-dagvaarding
opgesteld die aan de grootaandeelhouder is voorgelegd.
In verslagperiode 24 is hierop door de grootaandeelhouder gereageerd,
waarop door de
curator in verslagperiode 25 is gereageerd (zie ook hierna onder 10).
03-07-2018
7
8. Crediteuren
€ 3.437.479,39
Toelichting
alle erkende boedelcrediteuren zijn in verslagperiode 9 voldaan. Daarna heeft
UWV nog een
(restant) vordering van € 738,81 ingediend.
03-07-2018
7
€ 49.005,42
Toelichting
02-07-2019
11
€ 26.889,43
Toelichting
De restant boedelvordering van het UWV is voldaan. De boedelschulden
bestaan nu met name nog uit een creditfactuur van een voormalig debiteur.
Deze zal (na controle en akkoordbevinding) eveneens worden voldaan.
31-03-2022
22
8.2 Pref. vord. van de fiscus
8.3 Pref. vord. UWV
8.4 Andere pref. crediteuren
€ 3.877.624,00
Toelichting
(+/- p.m., incl. vordering ex art. 29 lid 2 Wet Ob)
03-07-2018
7
Toelichting
In verband met de schikking met Multifin (zie onder 9) heeft Multifin de door
haar ingediende (regres) vordering (na uitwinning na datum faillissement van
een door haar voor datum faillissement aan de fiscus gegeven borgstelling) ter
hoogte van om en nabij de 4 ton die dezelfde preferentie heeft als de
oorspronkelijke vordering van de Belastingdienst, ingetrokken. Dit moet nog in
het financieel verslag verwerkt worden.
07-01-2019
9
€ 3.482.705,00
Toelichting
actuele vordering fiscus opgevraagd en ontvangen
02-07-2019
11
€ 283.429,89
Toelichting
De vordering van de fiscus is grotendeels (bij wijze van voorschot) voldaan.
De restant vordering is om en nabij gelijk aan de door de curator t.z.t. nog
terug te ontvangen boedel-BTW.
31-03-2022
22
€ 506.580,84
Toelichting
€ 69.575,31 (ex art. 16 CSV)
€ 437.005,53 (ex art. 3:288 sub e BW)
03-07-2018
7
€ 444.519,90
Toelichting
€ 42.632,91 (ex art. 16 CSV) + € 401.886,99 (ex art. 3:288 sub e BW)
actuele vordering UWV opgevraagd en ontvangen
02-07-2019
11
€ 0,00
Toelichting
De vordering van het UWV is (bij wijze van voorschot) voldaan.
31-03-2022
22
8.4 Andere pref. crediteuren
8.5 Aantal concurrente crediteuren
8.6 Bedrag concurrente crediteuren
8.7 Verwachte wijze van afwikkeling
€ 29.570,27
Toelichting
werknemers ex art. 3:288 sub e BW.
03-07-2018
7
720
03-07-2018
7
€ 18.028.249,47
03-07-2018
7
€ 18.658.054,69
31-03-2022
22
8.7 Verwachte wijze van afwikkeling
8.8 Werkzaamheden crediteuren
n.n.b. 03-07-2018
7
Vanaf 1 oktober 2021 gaat de RABO-bank over saldi op de
faillissementsrekening van meer dan € 250.000,- een negatieve rente in
rekening brengen van 0,5%. Gelet daarop en gezien de hoogte van het saldo
op de faillissementsrekening is de curator voornemens om in dit faillissement
voor genoemde datum een tweede tussentijdse (100%) uitkering te doen aan
alle (resterende) boedelcrediteuren en preferente crediteuren.
Op deze wijze wordt voorkomen dat voornoemde te betalen negatieve rente
met name ten nadele van de concurrente crediteuren zal strekken.
05-07-2021
19
De curator zal (bij het doen van de in het vorige verslag genoemde tweede
tussentijdse uitkering) de door de boedel van de fiscus terug te ontvangen
BTW verrekenen met het aan de Belastingdienst verschuldigde bedrag ter zake
haar preferente vorderingen. Deze verrekening vergt controle van het saldo af
te dragen/terug te ontvangen BTW (blijkens het financieel verslag op dit
moment € 279.310,71) die thans nog niet is afgerond, maar in de komende
verslagperiode wel.
04-10-2021
20
Het doen van de tussentijdse uitkering zoals vermeld in de vorige verslagen
zou (in beginsel) meebrengen dat alle vorderingen (ook die van de concurrente
crediteuren) volgens de oude wettelijke regeling (die in dit faillissement
toepasselijk is) geverifieerd zouden moeten worden. Behalve dat dit veel
vertraging oplevert, gaat dit gepaard met aanzienlijke en op dit moment (nu de
concurrente crediteuren nog geen uitkering zullen ontvangen) niet doelmatige
boedelkosten. Gelet hierop zal de curator (na overleg met- en instemming van
de rechter-commissaris) genoemde preferente vorderingen aan de
Belastingdienst en UWV in dit stadium bij wijze van voorschot voldoen.
De curator zal dit in de komende verslagperiode effectueren.
03-01-2022
21
Voornoemde betalingen zijn verricht. Naar verwachting zal t.z.t. na afronding
van de truckkartelzaak en na definitieve betaling van alle resterende boedel-
en preferente crediteuren aan de concurrente crediteuren een (zij het
minimale) uitkering gedaan kunnen worden.
31-03-2022
22
8.8 Werkzaamheden crediteuren
9.1 Naam wederpartijen
9.2 Aard procedures
Alle crediteuren zijn aangeschreven. Vorderingen zijn geïnventariseerd. In
verslagperiode 6
zijn de crediteuren d.m.v. een circulaire op de hoogte gesteld van de actuele
stand van zaken.
Erkende boedelcrediteuren zijn voldaan. Met de Belastingdienst is een
bespreking gehouden.
Met het UWV is overleg gevoerd, onder meer over haar restant (boedel)
vordering.
Verschillende concurrente crediteuren zijn ingelicht over de actuele situatie,
ook in de
verslagperiodes erna.
03-07-2018
7
De curator heeft (mede in verband met de met Multifin bereikte schikking)
overleg gepleegd met UWV en fiscus over de hoogte van hun vorderingen en
van hen de meest recente opgave ontvangen en in het financieel verslag
verwerkt.
03-04-2019
10
En thans ook in dit verslag opgenomen.
Daarnaast heeft de curator met een aantal crediteuren contact gehad, met
name met de Nationale Borg i.v.m. de status van haar vordering na de regeling
met Multifin.
02-07-2019
11
Ook in deze verslagperiode heeft de curator vragen van diverse crediteuren
beantwoord.
02-10-2019
12
Idem in deze verslagperiode 03-04-2020
14
Voorbereiden tweede tussentijdse uitkering 04-10-2021
20
Het voorbereiden van genoemde voorschot-uitkering, het daartoe overleggen
met de rechter-commissaris etc.
03-01-2022
21
Het effectueren van de betalingen; overleg met UWV en fiscus. 31-03-2022
22
9. Procedures
Multifin B.V. (voorheen CTP) 03-07-2018
7
9.2 Aard procedures
9.3 Stand procedures
aansprakelijkheid grootaandeelhouder 03-07-2018
7
In dit verslag enkel nog een beschrijving van de thans nog lopende
procedures. Voor andere procedures zie vorige verslagen.
In verslagperiode 11 heeft de curator bij de rechtbank Groningen een
verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor ingediend gericht tegen Multifin en
ING. D.m.v. het horen van verschillende getuigen wil de curator zich een beeld
vormen van de gebeurtenissen welke aan het faillissement zijn voorafgegaan.
Hierbij zal met name de rol van Multifin (als
grootaandeelhouder) aan de orde komen, maar ook de opzegging van het
krediet door ING.
Multifin heeft zich tegen toewijzing van het verzoek (om getuigen te mogen
horen) niet verzet, ING daarentegen wel. De rechtbank heeft bij beschikking
d.d. 2 april 2012 het verzoek zowel wat betreft Multifin als wat betreft ING
toegewezen en een voorlopig getuigenverhoor bevolen.
De verhoren zijn vastgesteld op 12 en 18 september resp. 9 en 18 oktober
2012.
In verslagperiode 13 hebben de eerste twee getuigenverhoren
plaatsgevonden. In
verslagperiode 14 zijn opnieuw twee verhoren gehouden.
In verslagperiode 15 heeft slechts één van de drie geplande verhoordagen
doorgang
gevonden (wegens verhindering/ ziekte zijdens de rechtbank).
De curator -en zijn raadsman- hebben de nodige tijd besteed aan het
voorbereiden en
bijwonen van deze verhoren.
In verslagperiode 16 hebben twee zittingen plaatsgevonden. Alle getuigen zijn
nu gehoord op een na.
Het (laatste) getuigenverhoor is gehouden op 1 oktober 2013. Het
getuigenverhoor is dus in
verslagperiode 18 afgerond.
In verslagperiode 28 is op verzoek van de curator ten laste van Multifin een
aantal beslagen
(ook in het buitenland) gelegd en is de dagvaarding tegen Multifin uitgebracht.
De zaak zal
voor de eerste keer dienen op 20 juli 2016. De curator houdt in deze
procedure Mulitifin
aansprakelijk voor het gehele faillissementstekort.
In verslagperiode 29 zijn de nodige werkzaamheden in het kader van deze
procedure verricht, met name in verband met de (afwikkeling van de) gelegde
beslagen.
Multifin zal -in beginsel- op 12 oktober 2016 haar conclusie van antwoord
indienen.
In verslagperiode 30 heeft Multifin haar conclusie van antwoord ingediend.
Hierna heeft de
rechtbank de zaak voor repliek naar de rol verwezen. De curator zal zijn
conclusie van repliek -in beginsel- op 18 januari 2017 indienen.
In verslagperiode 31 heeft de curator zijn conclusie van repliek ingediend. De
zaak staat op dit moment op de rol van 12 april 2017 voor conclusie van
dupliek van de zijde van Multifin.
Op 26 april 2017 heeft Multifin gedupliceerd. Daarna heeft de curator een dag
voor pleidooi
03-07-2018
7
9.4 Werkzaamheden procedures
gevraagd dat inmiddels is vastgesteld op maandag 9 oktober om 9.30 uur.
De rechtbank heeft bij vonnis d.d. 13 december 2017 de vorderingen van de
curator
afgewezen. De curator beraadt zich over het instellen van hoger beroep tegen
dit vonnis.
Inmiddels is hoger beroep ingesteld. De zaak staat op de rol van 24 april 2018
voor grieven.
Verslagperiode 36: op 19 juni heeft de curator in de bodemprocedure zijn
memorie van grieven ingediend. De zaak staat nu voor memorie van antwoord
op de zitting van 22 juli 2018.
Daarnaast is Multifin -na het winnen in eerste aanleg van de bodemprocedure-
een kort geding procedure gestart tot opheffing van de destijds door de
curator ten laste van Multifin gelegde beslagen. Deze beslagen zijn door de
voorzieningenrechter bij vonnis d.d. 4 mei 2018 opgeheven. Tegen dit vonnis
heeft curator spoedappel ingesteld. De appeldagvaarding (incl. grieven) is
uitgebracht en Multifin heeft haar memorie van antwoord ingediend.
Vervolgens is een dag voor pleidooi gevraagd.
In de bodemprocedure is de memorie van antwoord door Multifin ingediend. De
zaak is aangehouden tot de rolzitting van 7 mei 2019 inzake beslissing hof
verdere voortgang
over nog door hof te bepalen periode waarover door partijen verhinderdata
moeten worden opgegeven t.b.v. meervoudige comparitie na memorie van
antwoord.
In het spoedappel tegen de opheffing van alle door de curator gelegde
beslagen door de voorzieningenrechter hebben partijen op 25 september 2018
bij het hof gepleit. Het arrest is vooralsnog bepaald op 23 oktober 2018.
02-10-2018
8
Bij arrest d.d. 23 oktober 2018 heeft het hof in het spoedappel het vonnis van
de voorzieningenrechter vernietigd in die zin dat het beslag op de onroerende
zaak en een tweetal derdenbeslagen herleven. De proceskosten zijn in beide
instanties gecompenseerd.
Hierna zijn tussen de curator en Multifin onderhandelingen over een schikking
van de nog lopende bodemprocedure op gang gekomen. Die onderhandelingen
hebben geleid tot overeenstemming in die zin, dat Multifin aan de boedel tegen
finale kwijting over en weer en intrekking van de lopende procedure een
bedrag van 1,2 miljoen euro heeft voldaan en een door haar in het
faillissement van DVTG ingediende preferente vordering van om en nabij de 4
ton heeft ingetrokken (vergelijk hierboven 8.2). In totaal gaat het dus om een
regeling waarmee een bedrag van 1,6 miljoen euro is gemoeid.
07-01-2019
9
Verslagperiode 36:
opstellen diverse processtukken:
-memorie van grieven in de hoofdzaak
-pleitaantekeningen in het kort geding
-appeldagvaarding (incl. grieven) in het spoedappel
03-07-2018
7
Verslagperiode 37:
-bestuderen MvA kort geding
-opstellen processtukken, met name akte houdende overlegging producties
-opstellen pleidooi
-bijwonen pleidooien
02-10-2018
8
Verslagperiode 38:
-het bestuderen van het hofarrest, het voeren van
schikkingsonderhandelingen en het bereiken van een regeling
07-01-2019
9
het afwikkelen van de gelegde beslagen 03-04-2019
10
Inzake de kartelclaim is inmiddels door NLTruckkartel B.V. een dagvaarding
uitgebracht tegen (onder meer) DAF, Iveco, Daimler, Volvo en Renault. De zaak
zal voor de eerste keer dienen op 29 januari 2020. In de dagvaarding is
vermeld dat (onder meer) DVTG en de Vries Cargo tot de ondernemingen
behoren die hun vorderingen aan NLTruckkartel hebben gecedeerd. De curator
procedeert dus niet rechtstreeks zoals in eerdere verslagen reeds aangestipt.
De curator heeft met name tijd besteed aan het nader onderbouwen van de
vordering met behulp van bewijsstukken zoals lease-contracten e.d. die hij aan
de advocaat van NLTruckkartel ter beschikking heeft gesteld.
02-10-2019
12
In deze verslagperiode is er nog verder gecorrespondeerd met (de advocaat
van) NL Truckkartel.
06-01-2020
13
De kartelzaak heeft voor de eerste keer gediend op 29 januari 2020.
Op 12 maart 2020 vond er bij de Rechtbank in Amsterdam een regiezitting
plaats die ging over het tijdpad van de tweede groep partijen (waaronder
DVTG). Tijdens de zitting werd duidelijk dat Hausfeld – de advocaat van
NLtruckkartel – schadevergoeding claimt voor het grootste aantal
vrachtwagens. In totaal hebben inmiddels ongeveer 7.000 partijen een
vordering ingesteld tegen de vrachtwagenfabrikanten voor ongeveer 400.000
vrachtwagens. Hausfeld claimt voor bijna de helft van dat aantal.
De rechtbank heeft mede daarom Hausfeld gevraagd om het overleg met
andere claimende partijen te coördineren en hierin een leidende rol in te
nemen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrachtwagenfabrikanten inhoudelijk
moeten reageren op de claims van de partijen uit de tweede groep in juli 2021.
Daarnaast wil de rechtbank dat de vrachtwagenfabrikanten in hun conclusie
van antwoord voor de tweede groep rekening houden met het tussenvonnis
van de rechtbank in maart 2021 (inzake de eerste groep eisers). De
verwachting is dat de rechtbank uiteindelijk gelijktijdig een eindvonnis zal
wijzen voor de eerste en tweede groep eisende partijen.
Duidelijk is dus dat deze procedure nog geruime tijd in beslag zal nemen.
03-04-2020
14
Deze procedure loopt; over de duur valt geen uitspraak te doen. 02-07-2020
15
Onze procedure maakt deel uit van de 20 dagvaardingen voor meer dan
200.000 vrachtwagens die door Hausfeld zijn uitgebracht begin dit jaar. De
rechtbank behandelt de truckkartelzaken in meerdere rondes. Onze zaak
maakt deel uit van de tweede ronde.
De conclusie van antwoord van de truckfabrikanten in de eerste ronde is in juli
2020 ingediend. De belangrijkste verweren van de truckfabrikanten zijn daar
reeds in opgenomen. De conclusie van antwoord voor de tweede ronde zaken
dient volgend jaar juli door de truckfabrikanten te worden genomen.
In de conclusie van antwoord is een veelheid aan verweren opgeworpen.
Naast de meer juridisch-technische verweren is het voornaamste verweer dat
de verboden prijsafspraken die zij hebben gemaakt de uiteindelijke
02-10-2020
16
vrachtwagenprijzen niet zouden hebben verhoogd.
Er zijn zittingen (voor de eerste ronde zaken) ingepland in de week van 23 t/m
27 november 2020.
Deze procedure zal nog veel tijd vergen.
Op 10 december heeft er een bijeenkomst via Teams plaats gevonden met
vertegenwoordigers van Hausfeld, waarin door hen een overzicht is gegeven
van de huidige stand van zaken in de diverse bij de rechtbank Amsterdam
aanhangige procedures.
1. Er zijn zaken aanhangig gemaakt in drie golven; DVTG zit in de tweede
golf. In de eerste golf zaken is onlangs een 4-daagse zitting geweest. Op
24.2.2021 wordt een inhoudelijk tussenvonnis verwacht waarin de
rechtbank zich zal uitspreken over een aantal materiële vraagstukken,
met name:
(i) Wat is de reikwijdte van het besluit van de EC?
(ii) Wat is de waarschijnlijkheid van de mogelijkheid op het lijden van
schade als gevolg van de kartelvorming?
(iii) Openbaarmakingsverplichting fabrikanten
2. Scania heeft zich destijds niet bij het EC-besluit neergelegd en daartegen
beroep ingesteld. Die zaak loopt nog steeds. Desalniettemin zijn de
karteldeelnemers hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade, dus ook die
m.b.t. de Scania-trucks. Scania heeft zich met name verzet tegen de
hoogte van de aan haar opgelegde boete.
3. Hausfeld acht het op dit moment waarschijnlijk dat er ergens na de
zomer van 2021 door de vrachtwagenfabrikanten een opening zal
worden geboden voor het beginnen van schikkingsonderhandelingen.
4. Het is de bedoeling dat in de tweede golf zaken de komende maanden
de achterliggende documentatie wordt vervolmaakt.
5. Het blijft een zaak van de lange(re) adem, maar vooralsnog met redelijke
perspectieven op een substantiële schadevergoeding. De procedure zelf
kost de boedel niets; alleen bij succes gaat een deel van de
schadevergoeding naar Hausfeld zoals eerder aangegeven.
08-01-2021
17
Het wachten is (vooralsnog) op het aangekondigde inhoudelijke tussenvonnis.07-04-2021
18
Op 12 mei 2021 is een inhoudelijk tussenvonnis gewezen in de eerste golf
zaken.
Dit vonnis geeft een indicatie wat in de latere procedures kan worden
verwacht: het is onwaarschijnlijk dat de rechtbank van gedachten verandert.
De uitspraak heeft betrekking op de volgende onderwerpen:
• de bindende kracht en reikwijdte van het besluit van de Europese Commissie
in deze procedure; en
• de aannemelijkheid dat het kartel schade heeft veroorzaakt.
Reikwijdte van het besluit van de Europese Commissie:
De rechtbank oordeelt dat:
• de truckfabrikanten zijn gebonden aan het volledige besluit van de Europese
Commissie, waarover ze negen maanden hebben kunnen onderhandelen;
• de inbreuk niet alleen bestond uit een “uitwisseling van informatie”, maar
ook uit een daadwerkelijke prijscoördinatie; en
• het besluit van de Europese Commissie tegen Scania uit 2017 overweldigend
bewijs leverde tegen de gedaagden, met gedetailleerde ontmoetingen en
informatie-uitwisselingen tussen de fabrikanten en dat het Scania besluit in
05-07-2021
19
deze procedure kan worden gebruikt om meer details over het kartel te geven.
De rechtbank oordeelt daarnaast dat het besluit niet alleen betrekking had op
de directe verkoop van nieuwe vrachtwagens, maar ook op de verkoop via
onafhankelijke dealers.
De aannemelijkheid van schade veroorzaakt door het kartel:
In deze fase van de procedure moesten eisers aantonen dat aannemelijk is
dat het kartel schade heeft kunnen veroorzaken.
De truckfabrikanten voerden voornamelijk aan dat de inbreuk helemaal niet tot
enige schade heeft kunnen leiden en dat de eisende partijen het tegendeel
onvoldoende hebben aangetoond. De economische theorieën van hun experts
hadden ten doel de afwezigheid van schade aan te tonen, met name door het
ontbreken van een verband tussen bruto prijslijsten en nettoprijzen.
De rechtbank volgde de truckfabrikanten hierin niet en oordeelt:
• Het maakte niet uit dat er misschien nog enige concurrentie was op de
vrachtwagenmarkt. Doordat de kartelbijeenkomsten op hoog niveau in de
organisatie van de fabrikanten plaatsvonden en alleen betrekking hadden op
de brutoprijslijsten, kon het beeld van een volledige concurrerende markt
zowel binnen als buiten de organisatie in stand worden gelaten.
• Een door de eisende partijen aangedragen schadetheorie werd als zeer
“concludent en overtuigend” beschouwd.
• “Ook ter zitting hebben de Truckfabrikanten geen overtuigend antwoord
kunnen geven op de vraag wat het doel was van de informatie-uitwisseling
over bruto lijstprijzen.”
De rechtbank concludeert daarom dat niet is uitgesloten dat het kartel tot
schade heeft geleid voor de eisende partijen.
Volgende stappen:
In de volgende fase van deze procedure moeten de eisende partijen aantonen
dat voor elke transporteur aannemelijk is dat hij door het onrechtmatig
handelen van de truckfabrikanten mogelijk schade heeft geleden.
In deze verslagperiode hebben zich geen noemenwaardige ontwikkelingen
voorgedaan.
04-10-2021
20
De truckfabrikanten hebben op 13 oktober 2021 hun conclusies van antwoord
ingediend in de "tweede golf" zaken, waaronder die van DVTG.
Deze conclusies wijken slechts in beperkte mate af van de conclusies van
antwoord die in de eerdere procedures door de truckfabrikanten werden
ingediend.
De beslissing van de rechtbank van 12 mei 2021 (in de eerste golf zaken)
wordt door de truckfabrikanten aan de kant geschoven:
o de inbreuk zou theoretisch gezien niet tot schade kunnen hebben geleid. De
truckfabrikanten zijn van plan om een additionele econoom, een expert op het
gebied van de ‘speltheorie’, te instrueren; en
o de besluiten van de Europese Commissie dienen volgens de truckfabrikanten
beperkt te worden geïnterpreteerd. In ieder geval dient de rechtbank de
uitkomst van het beroep van Scania tegen het boetebesluit bij de Europese
rechters af te wachten (die zich overigens ook nog zullen uitspreken over de
vraag of het boetebesluit van de Europese Commissie ook betrekking heeft op
vrachtwagens voor speciale doeleinden, zaak C-588/20).
Op andere fronten proberen de truckfabrikanten waar mogelijk de reikwijdte
van de vorderingen te beperken. Hiervoor gebruiken ze eveneens zeer
vergelijkbare argumenten als voorheen, namelijk dat:
o het kartel geen effect zou hebben gehad na 2011; en
03-01-2022
21
o het toepasselijk recht per transactie zou moeten worden bepaald, op basis
van waar de eerste koper van de vrachtwagen zich bevond (wat zou kunnen
betekenen dat sommige vorderingen zijn verjaard).
Vervolgstappen:
Op 2 februari 2022 zal het Europese Gerecht in Luxemburg beslissen of het
besluit van de Europese Commissie tegen Scania in 2017, waarbij Scania
beboet werd voor de participatie in het vrachtwagenkartel, in stand zal blijven
(zaak T-799/17).
Met betrekking tot de procedure van DVTG heeft de rechtbank Amsterdam een
hoorzitting geagendeerd van 13 tot 15 september 2022.
Al met al zal dit een zaak van de lange(re) adem worden.
Op 2 februari 2022 heeft het Gerecht van de Europese Unie in Luxemburg het
beroep van Scania tegen het boetebesluit van de Europese Commissie van
2017 volledig afgewezen en de deelname van Scania aan het
vrachtwagenkartel bevestigd.
Alle zes vrachtwagenwagenfabrikanten (Daimler, DAF, Iveco, Volvo/Renault,
Man en Scania) waren aanvankelijk schikkingsgesprekken aangegaan met de
Europese Commissie. In tegenstelling tot de vijf andere
vrachtwagenfabrikanten (die in 2016 hun betrokkenheid bij het kartel
erkenden en daarvoor een boete van €2,93 miljard kregen opgelegd)
ontkende Scania betrokken te zijn geweest bij het kartel. De Europese
Commissie zette haar onderzoek naar Scania’s deelname aan het kartel
volgens de standaardprocedure voort, wat op 27 september 2017 leidde tot
een boete van €880 miljoen.
Scania ging tegen dit besluit in beroep bij het Gerecht van de EU en voerde
aan dat zij geen pan-Europese kartelovereenkomsten had gesloten met
andere vrachtwagenfabrikanten. Op 2 februari 2022 verwierp het Gerecht van
de EU Scania’s beroep en de boete van de Europese Commissie werd
gehandhaafd.
De belangrijkste punten uit de uitspraak zijn dat:
1. het Gerecht heeft bevestigd dat “Scania rechtstreeks heeft deelgenomen
aan alle relevante aspecten van het kartel”; en
2. de procedure van de Europese Commissie (waaronder het gebruik van
de zogenoemde “hybride” kartelprocedure om eerst het schikkingsbesluit
van 2016 te nemen alvorens de reguliere procedure tegen Scania te
doorlopen in verband met hetzelfde kartel) geen inbreuk heeft gemaakt
op Scania’s vermoeden van onschuld of op haar rechten van verdediging.
Scania heeft tot 2 april 2022 de tijd om hoger beroep bij het Europees Hof van
Justitie aan te tekenen tegen dit arrest.
De andere vrachtwagenfabrikanten hadden Scania reeds in vrijwaring
opgeroepen bij de procedures die bij de rechtbank Amsterdam aanhangig zijn.
31-03-2022
22
Op 14 juni 2022 heeft de rechtbank Amsterdam een voorlopige planning
vastgesteld voor alle procedures in de truckskartelzaak. De vordering van
DVTG maakt deel uit van de tweede wave van procedures.
Nederlandse schadevergoedingsprocedures bestaan meestal uit twee “fases”:
een declaratoire fase waarin de aansprakelijkheid wordt vastgesteld en een
schadestaat fase waarin de uit die aansprakelijkheid voortvloeiende schade
30-06-2022
23
wordt gekwantificeerd. In sommige gevallen kan de rechtbank ook besluiten
om de schade meteen in de eerste fase vast te stellen waardoor een
verwijzing naar de schadestaat niet langer nodig is.
Alle waves bevinden zich nu in de eerste fase, waarin de rechtbank zal
beslissen of de vrachtwagenfabrikanten aansprakelijk zijn voor de schade.
Mocht de rechtbank inderdaad een dergelijke aansprakelijkheid vaststellen,
dan zal het de vordering van DVTG verwijzen naar de schadestaat waarin de
schade zal worden gekwantificeerd.
Voorlopig tijdschema:
Eerste wave
De rechtbank zal naar verwachting, in navolging van de hoorzitting van 29
maart 2022, op 13 juli 2022 uitspraak doen in de eerste wave over (i) de
geldigheid van de onderliggende cessies; (ii) de toepasselijkheid van het
Nederlandse regime voor collectieve acties op deze vorderingen; en (iii) het
toepasselijk recht.
Op 14 juni 2022 deelde de rechtbank een voorlopig tijdschema met daarin de
volgende stappen volgend op het vonnis van juli 2022:
in het eerste kwartaal van 2023 wordt indien nodig nog een hoorzitting
gepland om de resterende onderwerpen, die de vrachtwagenfabrikanten
in hun conclusies van antwoord van 1 juli 2020 betwisten, te
behandelen; gevolgd door
een definitieve uitspraak over de aansprakelijkheid van de
vrachtwagenfabrikanten in het derde kwartaal van 2023, waarbij de
vorderingen in de eerste wave mogelijk door zullen worden verwezen
naar de schadestaat procedure.
Tweede wave
In navolging van de conclusies van antwoord die door de
vrachtwagenfabrikanten op 13 oktober 2021 werden ingediend heeft de
rechtbank een zitting gepland van 13 tot 15 september 2022. De rechtbank zal
in de komende weken een agenda voor deze zitting bekendmaken.
De rechtbank heeft tevens de volgende stappen opgenomen in het voorlopige
tijdschema van 14 juni 2022:
een tussenvonnis in januari of februari 2023 over de onderwerpen die
tijdens de hoorzitting in september 2022 aan bod zijn gekomen; gevolgd
door
een hoorzitting in het vierde kwartaal van 2023 waarin overige
onderwerpen behandeld kunnen worden; waarna
in het eerste kwartaal van 2024 een definitieve uitspraak wordt gedaan
over de aansprakelijkheid van de vrachtwagenfabrikanten, waarbij uw
vorderingen mogelijk door worden verwezen naar de schadestaat
procedure.
Op 27 juli heeft de rechtbank Amsterdam in de ‘eerste golf’ zaken uitspraak
gedaan over de ontvankelijkheid van NLtruckkartel, de rechtsgeldigheid van de
cessie-overeenkomsten van NLtruckkartel en het toepasselijk recht op de
vorderingen. De rechtbank wees daarbij alle verweren van de truckfabrikanten
af.
Deze uitspraak is van belang voor alle zaken, ook al wordt deze uitspraak
gegeven in de procedure voor de 'eerste golf' zaken.
29-09-2022
24
De rechtbank heeft - in lijn met het standpunt van NLtruckkartel - geoordeeld
dat de cessie-overeenkomsten rechtsgeldig zijn. NLtruckkartel is dan ook
bevoegd om de schade die is geleden op de truckfabrikanten te verhalen.
De rechtbank heeft ook geoordeeld dat het Nederlandse regime voor
collectieve acties niet van toepassing is. NLtruckkartel hoeft daarom niet aan
allerlei extra juridische verplichtingen te voldoen.
De rechtbank Amsterdam heeft een aanvankelijk voor 13 en 14 september
geplande (vervolg)zitting geannuleerd wegens ziekte van een van de rechters.
De rechtbank heeft in juni 2022 een voorlopig schema met partijen gedeeld. Dit
schema rekende er op dat een definitieve uitspraak over de aansprakelijkheid
van de vrachtwagenfabrikanten mogelijk in 2024 zou worden gegeven.
De tweede fase van de procedure, die zal gaan over de kwantificering van de
schade, zal dan van start gaan en ingaan op de omvang van de schade die de
vrachtwagenfabrikanten moeten vergoeden.
In de eerste golf van vorderingen wordt een uitspraak in de eerste fase van de
procedure – gewijd aan de aansprakelijkheid van de vrachtwagenfabrikanten –
eind 2023 verwacht. Hoewel beroep kan worden aangetekend tegen dit
vonnis, waardoor de procedure verder kan worden vertraagd, zou een
uitspraak in het voordeel van de claimanten in de eerste golf van claimanten
ook zeer gunstig kunnen zijn voor de vorderingen in de tweede en derde golf
van vorderingen.
11-01-2023
25
De curator heeft zich in deze verslagperiode met name bezig gehouden met
het (op verzoek van Truckkartel) nader invullen en vervolmaken van de
vrachtwagengegevens, nodig voor het zo volledig mogelijk kunnen claimen van
de door DVTG geleden schade.
06-04-2023
26
Op 7 juni 2023 vond bij de rechtbank Amsterdam een zitting plaats in de
tweede wave van zaken tegen de vrachtwagenfabrikanten. De vordering van
DVTG maakt daar onderdeel van uit. Tijdens de zitting zijn de volgende vijf
onderwerpen aan bod gekomen:
1. De reikwijdte van de besluiten van de Europese Commissie, waarbij de
vrachtwagenfabrikanten een boete is opgelegd voor hun deelname aan
het vrachtwagenkartel;
2. De bewijskracht die aan deze besluiten moet worden toegekend;
3. De geldigheid van de cessies en lastgevingsovereenkomsten (in dit geval
die aan NLtruckkartel);
4. Het toepasselijke recht op de vorderingen;
5. De juridische positie van claimanten die transportdiensten van logistiek
dienstverleners hebben afgenomen (in tegenstelling tot directe afnemers
van vrachtwagens).
De rechtbank heeft tijdens de zitting haar bedenkingen geuit over haar
eerdere beslissing om op alle vorderingen Nederlands recht van toepassing te
verklaren. Tijdens de zitting heeft de rechtbank het voornemen uitgesproken
om op dit punt prejudiciële vragen te stellen aan de Nederlandse Hoge Raad.
Het is op dit moment niet bekend wat de gevolgen van het stellen van
prejudiciële vragen zullen zijn voor deze procedure. Het nadeel is dat er
vertraging kan ontstaan. Het voordeel is dat duidelijkheid vooraf over dit punt
beter is dan wanneer de fabrikanten in een later stadium hoger beroep
instellen. Dat laatste betekent zeker vertraging.
06-07-2023
27
Nu DVTG in de kartelperiode (1997-2011) vrachtwagens heeft geleased van
Nederlandse dealers, is de discussie over het toepasselijke recht nauwelijks
relevant. Op deze transacties zal vrijwel zeker Nederlands recht van
toepassing zijn. Dat betekent dat ook de huidige schadevordering van DVTG op
de fabrikanten wordt beheerst door Nederlands recht.
De rechtbank heeft aangegeven op korte termijn helderheid te verschaffen
over het voornemen prejudiciële vragen te stellen.
Vervolg:
In de eerste wave procedures heeft de rechtbank Amsterdam al een
voordelige uitspraak gedaan ten aanzien van de eerste vier punten (in twee
tussenvonnissen van 12 mei 2021 en 27 juli 2022). De argumenten van zowel
de vrachtwagenfabrikanten als de claimanten zijn daarmee grotendeels
behandeld en behoeven – op het toepasselijk recht op de vorderingen na -
geen verdere toelichting in deze fase.
Op 13 september 2023 heeft de rechtbank Amsterdam een tussenvonnis
gewezen in de groep procedures (waaronder DVTG) over het toepasselijke
recht op de vorderingen. Daarin bevestigde de rechtbank haar voornemen om
prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, zodat er in een zo vroeg
mogelijk stadium duidelijkheid kan ontstaan over dit onderwerp. De
prejudiciële procedure kan tussen de negen en twaalf maanden in beslag
nemen.
Namens DVTG is aangevoerd dat Nederlands recht van toepassing is op haar
vordering(en) op de truckfabrikanten, zoals de rechtbank in haar tussenvonnis
van 27 juli 2022 in de eerste groep procedures heeft bepaald. De
truckfabrikanten menen dat dit oordeel niet juist is, en hebben betoogd dat
een veelheid aan buitenlandse regels op de vorderingen van toepassing is.
In het tussenvonnis van 13 september 2023 heeft de rechtbank:
bevestigd dat de procedure zal worden aangehouden totdat de Hoge
Raad heeft gereageerd op de prejudiciële vragen;
een concept van de prejudiciële vragen gedeeld met de partijen, die tot
11 oktober 2023 de tijd hebben om hierop te reageren.
Met de prejudiciële vragen die de rechtbank Amsterdam aan de Hoge Raad zal
voorleggen, wordt verzocht om een verduidelijking van het criterium dat moet
worden gebruikt bij de bepaling van het toepasselijke recht. De rechtbank
onderscheidt twee mogelijke criteria die kunnen worden gebruikt om te
bepalen welk recht van toepassing is op de vorderingen op de
truckfabrikanten:
Het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen is gevestigd; of
Het land waar de vrachtwagen of transportdienst is afgenomen, te
weten
o de plaats waar de verkoper is gevestigd of
o indien een claimant of achterliggende partij vrachtwagens heeft
afgenomen in verschillende landen, het land van de zetel van de
betreffende claimant of achterliggende partij.
Aangezien DVTG met haar in Nederland gevestigde onderneming vrachtwagens
heeft gekocht van een Nederlandse dealer, zal op die transactie vrijwel zeker
Nederlands recht van toepassing zijn.
De prejudiciële vragen van de rechtbank hebben ook betrekking op de
interpretatie van het Europese recht. Het is daarom mogelijk dat de Hoge Raad
een oordeel van het Europese Hof van Justitie zal willen vragen, wat mogelijk
05-10-2023
28
tot verdere vertraging zou kunnen leiden.
Indien de Hoge Raad bevestigt dat Nederlands recht van toepassing is op de
vorderingen, dan zullen de truckfabrikanten dit punt niet langer succesvol
kunnen aanvechten in hoger beroep.
Op 8 november 2023 heeft de rechtbank Amsterdam een vonnis gewezen met
betrekking tot de inhoud van de prejudiciële vragen die aan de Hoge Raad
worden gesteld. De vragen luiden als volgt:
Moet de “single and continuous infringement” (enkelvoudige en
voortdurende inbreuk) van de truckfabrikanten worden beschouwd als
een schadeveroorzakende gebeurtenis die leidt tot:
o afzonderlijke vorderingen op het moment dat de schade wordt
geleden, namelijk het moment waarop een truck is gekocht? Iedere
afnemer zou dan één vordering hebben per truck, of
o een enkelvoudige schadevordering per gedupeerde, bestaande uit
verschillende schadeposten? Iedere afnemer zou dan slechts één
vordering hebben;
Moet voor de bepaling van het toepasselijk recht worden aangeknoopt
bij:
o het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen is gevestigd, of
o de plaats waar de verkoper, of aanbieder van de transportdiensten, is
gevestigd, of
o de plaats waar de afnemer is gevestigd;
Hoe moet het Europese recht worden toegepast:
o Op vorderingen voor 2009 op grond van Europese
doeltreffendheidsbeginsel;
o Op vorderingen na 2009, op voorwaarde dat er aan een aantal eisen –
deze moeten nader worden bepaald – worden voldaan.
De procedure bij de Hoge Raad is inmiddels gestart (partijen hebben tot 30
januari 2024 de tijd om hun standpunt over de beantwoording van de
prejudiciële vragen in te dienen). De gehele procedure kan tot 12 maanden in
beslag nemen en zou mogelijk langer kunnen duren als de Hoge Raad advies
wil inwinnen bij het Europese Hof van Justitie over de interpretatie van
Europees recht.
Tegelijkertijd heeft de rechtbank Amsterdam bekend gemaakt dat zij op 14
februari 2024 een beslissing neemt over de voortzetting van de procedure.
Daarbij vermeldde zij ook dat de procedure waarin DVTG partij is niet wordt
aangehouden totdat de Hoge Raad de prejudiciële vragen heeft beantwoord.
12-01-2024
29
Europese procedure:
Op 1 februari 2024 heeft het Europese Hof van Justitie het beroep van Scania
tegen het boetebesluit van de Europese Commissie van €880.523.000 in
verband met Scania’s deelname aan het truckkartel afgewezen.
De Europese Commissie had deze boete op 27 september 2017 aan Scania
opgelegd.
In de loop van beide beroepsprocedures voerde Scania aan dat zij geen pan-
Europese kartelovereenkomsten was aangegaan met andere truckfabrikanten.
Ook beweerde zij dat er sprake was van vooringenomenheid bij het onderzoek
van de Europese Commissie.
Het besluit van het Hof van Justitie om Scania’s beroep te verwerpen is
definitief. Dit is positief nieuws, aangezien het bestaan van het kartel en de
identiteit van de kartelleden daarmee niet meer kan worden betwist. Dat heeft
05-04-2024
30
tot gevolg dat Scania haar civielrechtelijke aansprakelijkheid niet langer kan
ontlopen door te stellen dat zij geen lid was van het kartel.
Nederlandse procedure:
Op 13 maart 2024 heeft de rechtbank Amsterdam een beslissing genomen in
de groep van truckprocedures waar DVTG deel van uitmaakt.
De rechtbank heeft aangegeven dat de procedure in deze groep op dezelfde
manier moet worden voortgezet als was aangekondigd in de eerste groep van
zaken in het tussenvonnis van 28 februari 2024. Dit in afwachting van het
antwoord van de Hoge Raad op de in de tweede groep gestelde prejudiciële
vragen over het toepasselijke recht op de vorderingen tegen de
Truckfabrikanten.
De rechtbank heeft verder vastgesteld dat er nog een extra ronde van
schriftelijke uitwisseling nodig is voordat er een uitspraak kan worden gedaan.
Hierbij heeft de rechtbank opgemerkt dat eisers hun claims verder hebben
onderbouwd door aanvullende informatie te verstrekken. Deze aanvullende
informatie is door de truckfabrikanten geanalyseerd, en nu vraagt de
rechtbank eisers op deze analyse te reageren en eventueel data aan te vullen
waar nodig.
De rechtbank benadrukt het belang van een gedetailleerde onderbouwing van
alle transacties per vrachtwagen en verzoekt om deze informatie te
verstrekken volgens een specifiek aangegeven format. Hoewel de rechtbank
nog niet definitief heeft aangegeven welke informatie precies nodig is, heeft ze
wel suggesties gedaan op basis van een eerder tussenvonnis. Ook begrijpt de
rechtbank dat niet alle transactiedocumenten meer beschikbaar zijn, gezien
het tijdsverloop.
Daarnaast wil de rechtbank dat de betrokken partijen zich uitspreken over het
voorstel van de rechtbank om nu al de omvang van de schade vast te stellen,
in plaats van dit uit te stellen tot een aparte procedure waarbij de omvang van
de schade wordt vastgesteld. Dit betekent dat de discussie niet alleen zal
gaan over de vraag of er schade is geleden, maar ook over hoeveel schade
eisers hebben geleden.
Eisers dienen de rechtbank uiterlijk op 10 april 2024 te informeren over
wanneer zij de gevraagde informatie kunnen verstrekken. Op deze nog vast te
stellen datum kunnen partijen ook reageren op de vragen van de rechtbank
over het direct vaststellen van de omvang van de geleden schade.
Conclusie:
Het einde in deze langslepende procedure is (helaas) nog niet in zicht.
NLtruckkartel heeft in deze verslagperiode een schikking getroffen met DAF
voor de claims inzake het truckkartel. Deze schikking betreft enkel DAF-trucks.
Deze schikking moet nog nader geëffectueerd worden. Nog niet duidelijk is
welke consequenties dit voor DVTG heeft. Die consequenties zullen in die zin
beperkt zijn, nu DVTG slechts een beperkt aantal DAF trucks had. Een en ander
zal in de komende verslagperiode waarschijnlijk duidelijk worden.
04-07-2024
31
Ter zake de met DAF getroffen schikking zal de boedel in totaal een bedrag van
€ 26.264,70 (netto, onder aftrek succes fee van 20%) ontvangen. De bedragen
zullen binnenkort tot uitkering komen, naar de curator verwacht: in de
komende verslagperiode.
03-10-2024
32
De belangrijkste claim van DVTG betreft die tegen Scania; die zaak loopt nog.
De Rechtbank heeft partijen op 24 juli 2024 geïnformeerd dat, aangezien alle
partijen het met de Rechtbank eens waren dat een aparte
schadestaatprocedure overbodig zou zijn, het bedrag van de toe te kennen
schadevergoeding in de hoofdprocedure zal worden bepaald. Dit betekent dat
de huidige discussie bij de Rechtbank zich niet alleen zal richten op de vraag óf
er schade is geleden, maar ook op de vraag hoeveel schade de claimanten
hebben geleden.
Het schikkingsbedrag is nog niet voldaan. Dit zal in 'batches' gebeuren en
vooralsnog is niet duidelijk wanneer DVTG 'aan de beurt' is.
09-01-2025
33
Inzake de met DAF getroffen schikking zijn nog geen betalingen verricht.
In de lopende procedure heeft de rechtbank Amsterdam in november 2023
prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de vraag welk recht van
toepassing is op vorderingen tot vergoeding van schade als gevolg van een
enkele en voortdurende inbreuk op het kartelverbod.
De Hoge Raad oordeelde op 21 maart 2025 dat hij zich niet kan uitspreken
over de prejudiciële vragen omdat deze gaan over kwesties van het recht van
de Europese Unie (het Unierecht) die door het HvJEU moeten worden
beoordeeld. De Hoge Raad wil daarom de volgende vragen aan het HvJEU
voorleggen:
Leidt een “enkele en voortdurende inbreuk” op het Unierecht tot één
schadevordering per benadeelde, waarbij het aantal vrachtwagens
slechts een kwestie van kwantificering van de vordering is; of leidt het
tot een afzonderlijke schadevordering per transactie, dat wil zeggen
vormt elke gesloten koop- of leaseovereenkomst een afzonderlijke
vordering?
Is de EU Rome II-verordening inzake toepasselijk recht van toepassing
gedurende de gehele inbreukperiode of een deel daarvan? Dat wil
zeggen, moet het toepasselijke recht in dit geschil worden bepaald door
EU- of Nederlandse regels van internationaal privaatrecht?
Indien het toepasselijke recht wordt bepaald door EU-regels van
internationaal privaatrecht, hoe moet de Rome II Verordening dan
worden uitgelegd? Onder welke voorwaarden kunnen eisers ervoor
kiezen Nederlands recht toe te passen?
De Hoge Raad heeft de partijen verzocht om vóór 9 mei 2025 te reageren op
de vragen aan het HvJEU.
Zodra het HvJEU uitspraak doet, zal de Nederlandse rechter het antwoord op
de vragen tot uitgangspunt nemen om te bepalen of Nederlands recht kan
worden toegepast op alle vorderingen.
Hoewel de verwijzing naar het HvJEU weer een extra stap in de procedure is,
hoeft dit geen invloed te hebben op de voortgang van de weg naar een
einduitspraak. De beoordeling door de truckfabrikanten van de overgelegde
data gaat parallel aan de door de Hoge Raad gestelde vragen aan het HvJEU
door.
In dat kader heeft de rechtbank Amsterdam termijnen bekend gemaakt
waarbinnen gedaagden moeten reageren op ingediende gegevens, te weten
uiterlijk op 21 januari 2026.
09-04-2025
34
Inzake de met DAF getroffen schikking zijn nog immer geen betalingen verricht.
Navraag leerde de curator dat het distributieproces langer duurt dan verwacht.
08-07-2025
35
Inzake de aanhangige procedure(s) hebben zich het afgelopen kwartaal geen
noemenswaardige ontwikkelingen voorgedaan.
Inzake de met DAF getroffen schikking zijn nog geen betalingen verricht. De
curator heeft documentatie toegestuurd naar NL Truckkartel om
betalingsproces te versnellen.
Inzake de aanhangige procedure(s) hebben zich het afgelopen kwartaal de
volgende ontwikkelingen voorgedaan: deze hebben betrekking op (i)
procedurele ontwikkelingen in de eerste “wave” procedures en (ii) de
prejudiciële vragen die zijn voorgelegd aan het Hof van Justitie van de
Europese Unie (HvJEU) over het toepasselijke recht.
A. Procedurele ontwikkelingen in de eerste "wave" procedures
Claimanten hebben voor alle “waves” in de procedure geüpdate data
ingediend. Met betrekking tot de eerste “wave” procedures moesten de
gedaagden uiterlijk op 23 juli 2025 reageren op de geüpdate data. Na
toekenning van een korte verlenging hebben de gedaagden hun reactie
ingediend op 20 augustus 2025.
Op 3 september 2025 heeft de rechtbank Amsterdam aangekondigd dat er
naar verwachting in april of mei 2026 een regiezitting zal plaatsvinden voor de
eerste “wave” procedures. Voorafgaand aan de regiezitting is er naar
verwachting gelegenheid voor de claimanten om de nog resterende
onderwerpen te agenderen.
Voor de “wave” van DVTG in de procedure – de tweede “wave” – moeten de
gedaagden uiterlijk op 21 januari 2026 reageren op de geüpdate data. Naar
verwachting zal de rechtbank Amsterdam vervolgens procedurele aanwijzingen
geven die vergelijkbaar zijn met die van de eerste “wave” procedures.
B. Bepaling van toepasselijk recht: verwijzing naar het HvJEU
De Hoge Raad heeft op 21 maart 2025 bepaald dat de prejudiciële vragen die
door de rechtbank Amsterdam aan haar waren voorgelegd deels betrekking
hadden op het recht van de Europese Unie (EU) en om deze reden door het
HvJEU dienen te worden beoordeeld. De prejudiciële vragen zijn relevant voor
de vaststelling van het recht dat op de vordering van toepassing is. Ter
herinnering, de voorgelegde prejudiciële vragen luiden als volgt:
Leidt een “enkele en voortdurende inbreuk” op het Unierecht tot één
schadevordering per benadeelde, waarbij het aantal vrachtwagens
slechts een kwestie van kwantificering van de vordering is; of leidt het
tot een afzonderlijke schadevordering per transactie?
Is de EU Rome II-verordening inzake toepasselijk recht van toepassing
gedurende de gehele inbreukperiode of een deel daarvan? Dat wil
zeggen, moet het toepasselijke recht in dit geschil worden bepaald door
EU- of Nederlandse regels van internationaal privaatrecht?
Indien de EU Rome II-verordering van toepassing is, hoe dient deze
vervolgens te worden geïnterpreteerd? Onder welke voorwaarden
kunnen eisers ervoor kiezen Nederlands recht toe te passen?
Op 20 juni 2025 zijn de bovenstaande prejudiciële vragen door de Hoge
Raad formeel doorverwezen naar het HvJEU. Partijen kunnen tot uiterlijk
31 oktober 2025 schriftelijke opmerkingen indienen.
Aangezien soortgelijke vragen met betrekking tot het toepasselijke recht ook
zijn gesteld in de in Nederland aanhangige Air Cargo-procedure (zaak C-
426/25), zijn beide zaken nu samengevoegd in de procedure voor het HvJEU.
Dit heeft geen wezenlijke invloed op de uitkomst van de beoordeling door het
HvJEU, noch op het procedurele tijdschema.
07-10-2025
36
10.1 Plan van aanpak
Op het procedurele front zijn er geen ontwikkelingen.
Inzake de met DAF getroffen schikking zijn nu door Truckkartel stappen gezet
om tot uitbetaling van het schikkingsbedrag te komen. De curator gaat er
vanuit dat hij het de boedel toekomende bedrag in de komende
verslagperiode zal ontvangen.
07-01-2026
37
10. Overig
In verslagperiode 28 is besloten om Multifin in rechte te betrekken (zie verder
hierboven
9.1 en 9.3). In verslagperiode 29 heeft de procedure een aanvang genomen.
Genoemde
procedure zal de nodige tijd in beslag nemen.
Na de pleidooien zal de rechtbank vonnis wijzen.
In deze verslagperiode heeft de curator ook contact gehad met mr. Zippro
(kartelrecht
advocaat) in verband met een mede met behulp van dit kantoor in te stellen
(collectieve)actie tot schadevergoeding tegen een aantal
vrachtautofabrikanten die ingevolge een uitspraak van het Europees Hof
gedurende een langere periode voor datum faillissement DVTG te hoge prijzen
voor vrachtauto's in rekening hebben gebracht. Voor DVTG zou deze (op no
cure no pay basis te starten) actie interessant kunnen zijn, gezien haar
uitgebreide wagenpark. Decurator wacht nu op nadere info.
Op dit front valt weinig te melden. De curator is in afwachting van nadere
info/gegevens
teneinde zijn vordering te kunnen kwantificeren.Inmiddels heeft de curator zijn
claim gemeld en daarna een uitnodiging ontvangen deze claim nader te
onderbouwen, hetgeen hij in de komende verslagperiode zal doen.
Inzake het "Truckkartel" heeft de curator een voorlichtingsbijeenkomst in
Breukelen
bezocht. Ook is een aantal stukken ondertekend, waaronder een akte van
cessie. De
(mede namens de curator t.z.t. door het "Truckkartel" in te dienen) claim zal in
deze
verslagperiode nader moeten worden onderbouwd met door de curator aan te
leveren
bewijsstukken. Daartoe zal (onder meer) de opgeslagen administratie van
DVTG nader
onderzocht moeten worden.
Verslagperiode 36: de curator is nog niet toegekomen aan het nader
onderbouwen van de claim.
03-07-2018
7
Verslagperiode 37: onderbouwing moet noch gestalte krijgen 02-10-2018
8
10.2 Termijn afwikkeling faillissement
10.3 Indiening volgend verslag
10.4 Werkzaamheden overig
Verslagperiode 38: de curator is bezig geweest met het verzamelen van de
voor het succesvol indienen van een claim benodigde gegevens. Specifieke
informatie van de door DVTG geleasede vrachtauto's (kentekens,
chassisnummers, duur contract, leaseprijzen) zijn, in ieder geval voor zover het
de periode na 1 januari 2008 betreft, nog beschikbaar. Verder zal de curator in
de komende verslagperiode ook onderzoek doen in de door hem destijds (bij
IMS/HUSA) opgeslagen administratie en daarna zijn bewijsstukken opsturen
naar het "Truckkartel" .
07-01-2019
9
In deze verslagperiode heeft de curator in Amsterdam een bespreking gevoerd
met de door hem ingeschakelde advocaat i.v.m. de kartelclaim. Waarschijnlijk
zullen de vrachtautofabrikanten in de komende verslagperiode gedagvaard
worden.
02-07-2019
11
Over de kartelclaim zal (nu er inmiddels een procedure is gestart) in het
vervolg in hoofdstuk 9 verslag gedaan worden.
02-10-2019
12
termijn afwikkeling is afhankelijk van (a) de -uiteindelijke- afloop van de
procedures tegen
Multifin alsmede (b) de afwikkeling van de "kartelclaim".
03-07-2018
7
Dit faillissement kan (in beginsel) worden afgewikkeld, zodra er duidelijkheid is
over de "kartelclaim".
De curator gaat er -op dit moment en onder voorbehoud- vanuit, dat de
regeling met Multifin in combinatie met de (mogelijke) revenuen uit de
kartelclaim het mogelijk maken om ook aan de concurrente schuldeisers van de
failliete DVTG-vennootschappen een (zij het geringe) uitkering te kunnen doen.
07-01-2019
9
De curator heeft in deze verslagperiode (na onderzoek onder meer in de elders
opgeslagen administratie) de kartelclaim nader onderbouwd en lijsten
(templates) met daarop alle hem bekende gegevens m.b.t. de na 1 januari
2008 tot datum faillissement op het bedrijf aanwezige trucks ingevuld en
opgestuurd.
03-04-2019
10
Eerst zal de kartelclaimkwestie afgewikkeld moeten worden. 02-07-2019
11
Zie bij verslag 11 02-10-2019
12
Zie bij verslag 11 06-07-2023
27
6-4-2026 07-01-2026
37
10.4 Werkzaamheden overig
Bijlagen
Zie hierboven 03-07-2018
7
Bijlagen