Overzicht met bedrijven in Nederland
Terug naar faillissement

Verslag: 09-01-2025

De Vries Transport Group B.V. · KVK 02321136 ·F.18/09/228
Verslagdatum
09-01-2025
Procedure
Faillissement
Status
Actief
Rechtbank
Rechtbank Noord-Nederland

Platte tekst van het verslag

Documentkenmerk: 18_nne_09_228_F_V_88 ·Tekst verwerkt op 27-09-2026 22:36

Openbaar faillissementsverslag

rechtspersoon (ex art. 73A Fw.)

Naam onderneming

Gegevens onderneming

Activiteiten onderneming

Financiële gegevens

Toelichting financiële gegevens

Gemiddeld aantal personeelsleden

Betreft

Algemene gegevens

De Vries Transport Group B.V. 03-07-2018

7

De Vries Transport Group B.V.

De Vries Cargo B.V.

De Vries Distribution B.V.

R.S.C. Groningen Veendam B.V.

De Vries Veendam B.V.

03-07-2018

7

TRANSPORTONDERNEMING 03-07-2018

7

Jaar Omzet Winst / verlies Balanstotaal
2008 € 71.000.000,00 € 4.477.047,00 € 34.669.899,00

Verslagnummer 33

Datum verslag 09-01-2025

Insolventienummer F.18/09/228

Toezichtzaaknummer NL:TZ:0000010416:F001

Datum uitspraak 25-08-2009

R-C mr. D.J. Klijn

Curator mr R.G. Holtz

Gemiddeld aantal personeelsleden

Boedelsaldo

285

03-07-2018

7

€ 3.013.864,75

03-07-2018

7

€ 2.976.227,97

02-10-2018

8

€ 4.180.449,81

07-01-2019

9

€ 4.152.427,49

03-04-2019

10

€ 4.150.951,37

02-07-2019

11

€ 4.116.967,12

02-10-2019

12

€ 4.116.486,94

06-01-2020

13

€ 4.113.643,44

03-04-2020

14

€ 4.113.643,44

02-07-2020

15

€ 4.113.643,44

02-10-2020

16

€ 4.113.643,44

08-01-2021

17

€ 4.110.799,94

07-04-2021

18

€ 4.110.799,94

05-07-2021

19

€ 4.097.298,76

04-10-2021

20

€ 4.097.298,76

03-01-2022

21

Verslagperiode

€ 396.601,24

Toelichting

Het teruggelopen saldo kan worden verklaard doordat de restant

boedelvordering van het UWV, alsmede -bij wijze van voorschot- de preferente

vorderingen van de Belastingdienst (minus de t.z.t. nog te verrekenen boedel-

BTW) en het UWV zijn voldaan. Zie ook onder 8.

31-03-2022

22

€ 393.199,61

30-06-2022

23

€ 392.834,12

29-09-2022

24

€ 392.709,77

11-01-2023

25

€ 389.802,67

06-04-2023

26

€ 389.802,67

06-07-2023

27

€ 389.802,67

05-10-2023

28

€ 371.125,28

12-01-2024

29

€ 370.175,43

04-07-2024

31

€ 370.175,43

03-10-2024

32

€ 370.111,83

09-01-2025

33

van

1-4-2018

t/m

30-6-2018

03-07-2018

7

van

1-7-2018

02-10-2018

8

t/m

30-9-2018

van

30-9-2018

t/m

30-12-2018

07-01-2019

9

van

1-1-2019

t/m

31-3-2019

03-04-2019

10

van

1-4-2019

t/m

30-6-2019

02-07-2019

11

van

1-7-2019

t/m

30-9-2019

02-10-2019

12

van

1-10-2019

t/m

31-12-2019

06-01-2020

13

van

1-1-2020

t/m

31-3-2020

03-04-2020

14

van

1-4-2020

t/m

30-6-2020

02-07-2020

15

van

1-7-2020

t/m

02-10-2020

16

30-9-2020

van

1-1-2021

t/m

31-3-2021

07-04-2021

18

van

1-4-2021

t/m

30-6-2021

05-07-2021

19

van

1-7-2021

t/m

30-9-2021

04-10-2021

20

van

1-10-2021

t/m

31-12-2021

03-01-2022

21

van

1-1-2022

t/m

25-3-2022

31-03-2022

22

van

26-3-2022

t/m

24-6-2022

30-06-2022

23

van

25-6-2022

t/m

23-9-2022

29-09-2022

24

van

24-9-2022

t/m

31-12-2022

11-01-2023

25

van

1-1-2023

t/m

31-3-2023

06-04-2023

26

van

1-4-2023

t/m

30-6-2023

06-07-2023

27

van

1-7-2023

t/m

30-9-2023

05-10-2023

28

van

1-10-2023

t/m

31-12-2023

12-01-2024

29

van

1-1-2024

t/m

31-3-2024

05-04-2024

30

van

1-4-2024

t/m

30-6-2024

04-07-2024

31

van

1-7-2024

t/m

30-9-2024

03-10-2024

32

van

1-10-2024

t/m

3-1-2025

09-01-2025

33

Bestede uren

Toelichting bestede uren

VerslagperiodeBestede uren

7 0 uur 0 min
8 0 uur 0 min
9 0 uur 0 min
10 0 uur 0 min
11 0 uur 0 min
12 10 uur 18 min
13 3 uur 6 min
14 3 uur 36 min
15 1 uur 24 min
16 1 uur 6 min
17 6 uur 36 min
18 2 uur 18 min
19 5 uur 36 min
20 5 uur 42 min
21 12 uur 42 min
22 6 uur 42 min
23 2 uur 42 min
24 1 uur 12 min
25 1 uur 48 min
26 17 uur 18 min
27 2 uur 48 min
28 0 uur 54 min
29 3 uur 30 min
30 6 uur 42 min
31 5 uur 12 min
32 3 uur 0 min
33 2 uur 48 min
Totaal 107 uur 0 min

In verslagperiode:

mr. Holtz: 48,7/ mr. Mastenbroek: 11,0 / J.A. de Vries: 2,0 / mr. Felt: 13,8 / F.

Maatjes: 1,4 / mr. De Lange: 0,5

Totaal: 3772,6 uren

03-07-2018

7

In verslagperiode:

mr. Holtz: 22,6/ mr. Mastenbroek: 6,0 / F. Maatjes: 1,4

02-10-2018

8

Totaal: 3802,6 uren

mr. Holtz: 22,4

mr. Mastenbroek: 2,5

mr. De Lange: 0,7

F. Maatjes: 1,4

Totaal: 3829,6

07-01-2019

9

mr. Holtz: 46,8

mr. Mastenbroek: 4,4

mr. De Lange: 0,3

F. Maatjes: 4,9

03-04-2019

10

mr. Holtz: 14,1

mr. Mastenbroek: 6,8

mr. De Lange: 2,2

F. Maatjes: 0,6

totaal aantal uren: 3909,7

02-07-2019

11

mr. Holtz: 8,5

mr. Mastenbroek: 0,4

mr. De Lange: 0,5

F. Maatjes: 0,9

totaal aantal uren: 3920

02-10-2019

12

mr. Holtz: 2,4

F. Maatjes: 0,7

totaal aantal uren: 3923,1

06-01-2020

13

mr. Holtz: 3,0

F. Maatjes: 0,6

totaal aantal uren: 3926,7

03-04-2020

14

mr. Holtz: 1,1

F. Maatjes: -

J. Dijkstra: 0,3

totaal aantal uren: 3928,1

02-07-2020

15

mr. Holtz: 0,8

F. Maatjes: 0,2

mr. Mastenbroek: 0,1

totaal aantal uren: 3929,2

02-10-2020

16

mr. Holtz: 6,1

F. Maatjes: 0,3

mr. Mastenbroek: 0,2

totaal aantal uren: 3935,8

08-01-2021

17

mr. Holtz: 1,7

F. Maatjes: 0,6

mr. Mastenbroek:

07-04-2021

18

totaal aantal uren: 3938,1

mr. Holtz: 4,1

F. Maatjes: 1,5

mr. Mastenbroek:

totaal aantal uren: 3943,7

05-07-2021

19

mr. Holtz: 2,0

F. Maatjes: 3,7

mr. Mastenbroek:

totaal aantal uren: 3949,4

04-10-2021

20

mr. Holtz: 7,2

F. Maatjes: 3,9

mr. Mastenbroek: 1,6

totaal aantal uren: 3962,1

03-01-2022

21

mr. Holtz: 2,7

F. Maatjes: 3,6

mr. Mastenbroek: 0,1

D. Vegt: 0,3

totaal aantal uren: 3968,8

31-03-2022

22

mr. Holtz: 1,8

F. Maatjes: 0,9

mr. Mastenbroek:

D. Vegt:

totaal aantal uren: 3971,5

30-06-2022

23

mr. Holtz: 0,8

F. Maatjes: 0,4

totaal aantal uren: 3972,7

29-09-2022

24

mr. Holtz: 0,6

F. Maatjes: 1,2

totaal aantal uren: 3974,5

11-01-2023

25

In deze verslagperiode heeft de curator met name tijd gespendeerd i.v.m. het

(laten) royeren van een (zeer oude) ten behoeve van een rechtsvoorganger

van De Vries Distribution B.V. gevestigde hypotheek.

05-04-2024

30

In deze verslagperiode heeft de curator met name tijd besteed aan de

truckkartel procedure.

09-01-2025

33

1.1 Directie en organisatie

1.2 Lopende procedures

1.3 Verzekeringen

1.4 Huur

1.5 Oorzaak faillissement

1. Inventarisatie

Zie organogram (bijlage 1 bij verslag 1)

Directeur van alle vennootschappen is Edwin de Vries

03-07-2018

7

Voor zover bekend:1 (inzake De Vrieze) (afgerond) 03-07-2018

7

Diverse 03-07-2018

7

Huur bedrijfspand De Mars 1 Coevorden (voor zover nodig) opgezegd per 31-

05-2010: in de visie van de curator is deze overeenkomst reeds per 07-09-

2009 beëindigd. Onder meer hierover is een procedure gevoerd tussen de

curator en Penske (de verhuurder); zie verder onder 9.

03-07-2018

7

Zie bijlage 2 bij verslag 1 03-07-2018

7

2.1 Aantal ten tijde van faillissement

2.2 Aantal in jaar voor faillissement

2.3 Ontslagaanzegging

2.4 Werkzaamheden personeel

3.1 Onroerende zaken

Toelichting onroerende zaken

2. Personeel

Personeelsleden

285

03-07-2018

7

Datum AantalToelichting

26-8-2009285

totaal 285

Alle personeelsleden zijn met toestemming van de Rechter-commissaris

ontslagen. De

opzegtermijnen zijn op 1 dan wel 7 oktober 2009 afgelopen. Vrijwel het gehele

personeel

heeft tot en met 13 september 2009 doorgewerkt. Per 7 september 2009 is de

onderneming

voortgezet door IMS Veendam (zie verder onder 6).

03-07-2018

7

In deze (alsmede in de vorige) verslagperiode hebben

advocaten/rechtsbijstandverleners contact opgenomen met de curator inzake

een arbeidsrechtelijk geschil tussen IMS (thans: Husa) en oud werknemers van

DVTG.

02-10-2019

12

3. Activa

Beschrijving Verkoopopbr.Hypotheek Boedelbijdr.

Loodsen aan de Bilitonweg 25 en de

Lloydsweg 27 te Veendam

(eigendom) Silo en kade aan de

Steenweg 7 te Delfzijl (erfpacht)

€ 4.072.334,72€ 2.750.000,00

totaal € 4.072.334,72 € 0,00

Toelichting onroerende zaken

3.2 Werkzaamheden onroerende zaken

3.3 Bedrijfsmiddelen

Toelichting bedrijfsmiddelen

3.4 Bodemvoorrecht fiscus

3.5 Werkzaamheden bedrijfsmiddelen

3.6 Voorraden / onderhanden werk

Toelichting voorraden / onderhanden werk

3.7 Werkzaamheden voorraden / onderhanden werk

3.8 Andere activa

€ 3.999.742,67 (loodsen) resp. € 72.592,05 (silo); zie verder onder:

"Werkzaamheden" 3.2

Hypotheek: inschrijving € 9.000.000,- (op de loodsen) openstaande vordering

€ 2.750.000,- maar via overwaarde arrangement ook dekking voor het

meerdere dat openstaat bij ING en ING CF.

Daarnaast was op de loodsen een tweede hypotheek gevestigd t.b.v. CTP

(grootaandeelhouder van De Vries) tot een maximum van € 2 miljoen. Overleg

tussen curatoren (de advocaat van) CTP heeft uiteindelijk geleid tot doorhaling

van deze tweede hypotheek voor de eigendomsoverdracht

03-07-2018

7

De loodsen zijn op 4-11-2009 in eigendom overgedragen aan de gemeente

Veendam voor

een koopsom van € 3.999.742,67. Onder aftrek van vordering ING ad €

3.491.076,36

resteerde voor de boedel een opbrengst van € 508.666,31 (incl. de aan ING

afgedragen

opbrengst verpande inventaris ad € 310.000,-). De curator heeft het recht van

erfpacht op de

silo en de kade op 9 juli 2010 overgedragen aan P.W.J. International B.V. voor

een koopsom

van € 72.500,- (verkoopopbrengst: € 72.592,05).

03-07-2018

7

Beschrijving VerkoopopbrengstBoedelbijdrage

Inventaris, transportmiddelen en goodwill € 3.485.000,00
totaal € 3.485.000,00 € 0,00

Er was bodembeslag gelegd. 03-07-2018

7

Zie bijlage 3 bij verslag 1 03-07-2018

7

3.8 Andere activa

Toelichting andere activa

3.9 Werkzaamheden andere activa

4.1 Debiteuren

Toelichting debiteuren

4.2 Werkzaamheden debiteuren

Beschrijving VerkoopopbrengstBoedelbijdrage

aandelen in Tsjechische dochtervennootschap € 1.000,00
totaal € 1.000,00 € 0,00

onderhandelen/overleg alsmede opstellen c.q. toetsen van koopovereenkomst03-07-2018

7

4. Debiteuren

Beschrijving Omvang Opbrengst Boedelbijdr.

Per 25-08-2009: ongeveer € 13

miljoen (omzet tot datum

faillissement, deels nadien

gefactureerd)

€ 13.000.000,00€ 2.126.154,94

totaal € 13.000.000,00 € 2.126.154,94 € 0,00

Per 31.12.2010 (t.b.v. de boedel, opbrengst t.b.v. pandhouder niet

meegerekend) : €

2.126.154,94 (-/- € 340.000,- excl. BTW buitengerechtelijke kosten ING)

03-07-2018

7

In goed overleg met ING/IFC was eind november 2009 een zodanig gedeelte

van de

debiteuren geïnd, dat ING/ICF volledig kon worden afgelost. Curator heeft

inning

resterende debiteuren ter hand genomen. Ook in verslagperiode 11 heeft de

curator (enige)

tijd besteed aan het innen van de debiteuren.

De debiteureninning is thans afgerond. In verslagperiode 15 is nog enige tijd

besteed aan een Belgische debiteur (Vos Genk), die (naar Belgisch recht)

uitstel van betaling heeft verkregen. Naar verwachting zal in deze kwestie nog

een betaling van een gedeelte van de vordering van DVTG (groot plm

€10.000,-) gedaan worden.

03-07-2018

7

5.1 Vordering van bank(en)

5.2 Leasecontracten

5.3 Beschrijving zekerheden

5.4 Separatistenpositie

5.5 Eigendomsvoorbehoud

5.6 Retentierechten

5.7 Reclamerechten

5. Bank / Zekerheden

€ 12.365.758,00

Toelichting vordering van bank(en)

Per 25-08-2009:

Rekening courant ING € 909.604,-

Hypotheek ING € 2.750.000,-

ING Commercial Finance € 8.697.154,-

Totaal € 12.365.758,-

03-07-2018

7

diverse 03-07-2018

7

pandrecht op debiteuren en inventaris 03-07-2018

7

hierboven onder 3 en 4 03-07-2018

7

Diverse, inmiddels zijn alle goederen opgehaald. 03-07-2018

7

Onderhoudsbedrijf heeft retentierecht geclaimd op een oplegger. Dit is

geaccepteerd. Verkoop van de betreffende oplegger aan IMS is gerealiseerd in

overleg met een onderhoudsbedrijf.

Daarnaast heeft een transportbedrijf een retentierecht geclaimd op een aantal

beschadigde

chassis. Deze chassis zijn verkocht aan een transportbedrijf;

verkoopopbrengst aan boedel

afgedragen. Bij afwikkeling t.z.t. zal rekening worden gehouden met

retentierechten.

Anders dan eerder (hierboven) vermeld, blijkt de verkoopopbrengst

(€ 2.250,- excl. BTW) niet aan de boedel te zijn afgedragen. Het

desbetreffende

transportbedrijf is hierop aangeschreven en zal (zo nodig) in rechte worden

betrokken. In

verslagperiode 11 is dit bedrag voldaan.

03-07-2018

7

5.7 Reclamerechten

5.8 Boedelbijdragen

5.9 Werkzaamheden bank / zekerheden

6.1 Exploitatie / zekerheden

6.2 Financiële verslaglegging

6.3 Werkzaamheden voortzetten onderneming

Met name van belang is dat door zekerheden gedekte vorderingen van

ING/ICF volledig zijn

voldaan, zodat (meer)opbrengst van de verkoop van de loodsen en de

resterende debiteuren

ten goede van de boedel komen. Ook in verslagperiode 5 heeft geregeld

overleg plaatsgevonden, met name inzake de financiële afrekening(zie

hierboven 3.4).

Dit overleg heeft erin geresulteerd dat door ING in verslagperiode 5 een

bedrag van € 25.610,37 (inzake eerder door ING verrekende

buitengerechtelijke kosten) aan de boedel is gerestitueerd.

Met ING is overleg gevoerd in verband met een door haar afgegeven

bankgarantie tot een

bedrag van € 71.000,= ten behoeve van een crediteur die op 15 juni 2016 is

geëxpireerd. Dit overleg heeft geleid tot vrijgave van genoemd bedrag. Na

overboeking op de

faillissementsrekening zal een en ander in het financieel verslag worden

verwerkt. Dat laatste is in verslagperiode 31 gebeurd. Uiteindelijk is door ING

een bedrag van € 71.233,47 op de faillissementsrekening gestort.

03-07-2018

7

6. Voortzetten / doorstart onderneming

Voortzetten onderneming

Zie bijlage 3 bij verslag 1 03-07-2018

7

Zie bijlage 1 bij verslag 4 03-07-2018

7

6.3 Werkzaamheden voortzetten onderneming

6.4 Beschrijving

6.5 Verantwoording

6.6 Opbrengst

6.7 Boedelbijdrage

6.8 Werkzaamheden doorstarten onderneming

7.1 Boekhoudplicht

Werkzaamheden : in verslagperiode 4 heeft de curator een definitieve regeling

bereikt met het consortium over de afwikkeling (debiteuren/crediteuren) van

de garantieperiode (tot en met 6 september 2009). De gemaakte afspraken

zijn neergelegd in een vaststellingsovereenkomst op 15 april 2010. De curator

heeft aan het consortium voldaan een bedrag van € 205.000,- als (finale)

afrekening. In ruil daarvoor kan het consortium geen aanspraak meer maken

op enige opbrengst, gegenereerd in de consortiumperiode c.q. geen enkele

andere aanspraak (bijvoorbeeld uit hoofde van door haar gemaakte kosten)

tegen de curator geldend maken. Dit impliceert, dat de (restant) opbrengst van

de debiteuren in de consortiumperiode thans volledig aan de boedel toekomt.

T.z.t. zal in het financieel verslag (zo nodig) onderscheid worden gemaakt

tussen de prefaillissementsdebiteuren en de debiteuren na datum

faillissement, dit in

verband met de boedel BTW-aangifte. Ook met de Belastingdienst is overleg

gepleegd over de praktische afwikkeling van deze kwestie.

03-07-2018

7

Doorstarten onderneming

Zie bijlage 3 bij verslag 1 03-07-2018

7

Zie bijlage 3 bij verslag 1 03-07-2018

7

Toelichting

Zie bijlage 3 bij verslag 1

03-07-2018

7

In verslagperiode 4 is de overdracht van de aandelen van DVTG in ETC

afgerond. De curator

heeft de opbrengst van deze aandelen afgedragen aan IMS zoals door partijen

overeengekomen in de "activaovereenkomst".

03-07-2018

7

7. Rechtmatigheid

Is aan voldaan. 03-07-2018

7.2 Depot jaarrekeningen

7.3 Goedkeuringsverklaring accountant

7.4 Stortingsverplichting aandelen

7.5 Onbehoorlijk bestuur

7.6 Paulianeus handelen

7.7 Toelichting rechtmatigheid

7.8 Werkzaamheden rechtmatigheid

7

Is aan voldaan voor zover van toepassing. 03-07-2018

7

n.v.t. 03-07-2018

7

n.v.t. 03-07-2018

7

Toelichting

In verslagperiode 7 is met name de rol van de grootaandeelhouder (CTP)

nader onderzocht.

De curator heeft ter zake een aansprakelijkheidsstelling verzonden. In

verslagperiode 8 heeft

CTP op deze aansprakelijkheidsstelling gereageerd. In verslagperiode 11 heeft

de curator een

verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor ingediend, gericht tegen CTP (en ING)

(zie verder

hieronder 9).

03-07-2018

7

Ja

Toelichting

Is in verslagperiode 5 nader onderzocht; alle transacties (vlak) voor de

faillissementsdatum zijn nader bekeken. Hieruit zijn geen onregelmatigheden

gebleken. Wel zal een in de visie van de curator ten onrechte betaalde

managementfee gerestitueerd moeten worden. In dat kader is op 29

november 2010 een bedrag van € 45.755,50 aan de boedel voldaan.

03-07-2018

7

7.8 Werkzaamheden rechtmatigheid

8.1 Boedelvorderingen

8.2 Pref. vord. van de fiscus

Mede aan de hand van besprekingen die hebben plaatsgevonden met de

voormalig

bestuurder en de interim manager en een door eerstgenoemde opgesteld

verslag, heeft de

curator een en ander geïnventariseerd.

In verslagperiode 6 heeft (in november) een door een crediteur van DVTG

geëntameerd

voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Het betrof hier de vraag of van de

zijde van DVTG verplichtingen zijn aangegaan op een moment dat de

bestuurder (Edwin de Vries) wist c.q. behoorde te weten dat DVTG deze

verplichtingen niet (meer) kon nakomen. Gehoord zijn onder meer Edwin de

Vries en de interim manager. De curator heeft deze verhoren laten bijwonen.

Hetgeen aldaar is verklaard, is van belang voor het door de curator verrichte

onderzoek naar onbehoorlijk bestuur c.q. de rol van de grootaandeelhouder.

In verslagperiode 22 heeft de curator een (uitgebreide) concept-dagvaarding

opgesteld die aan de grootaandeelhouder is voorgelegd.

In verslagperiode 24 is hierop door de grootaandeelhouder gereageerd,

waarop door de

curator in verslagperiode 25 is gereageerd (zie ook hierna onder 10).

03-07-2018

7

8. Crediteuren

€ 3.437.479,39

Toelichting

alle erkende boedelcrediteuren zijn in verslagperiode 9 voldaan. Daarna heeft

UWV nog een

(restant) vordering van € 738,81 ingediend.

03-07-2018

7

€ 49.005,42

Toelichting

UWV heeft nog een restant boedelvordering van € 49.005,42

02-07-2019

11

€ 26.889,43

Toelichting

De restant boedelvordering van het UWV is voldaan. De boedelschulden

bestaan nu met name nog uit een creditfactuur van een voormalig debiteur.

Deze zal (na controle en akkoordbevinding) eveneens worden voldaan.

31-03-2022

22

8.2 Pref. vord. van de fiscus

8.3 Pref. vord. UWV

8.4 Andere pref. crediteuren

€ 3.877.624,00

Toelichting

(+/- p.m., incl. vordering ex art. 29 lid 2 Wet Ob)

03-07-2018

7

Toelichting

In verband met de schikking met Multifin (zie onder 9) heeft Multifin de door

haar ingediende (regres) vordering (na uitwinning na datum faillissement van

een door haar voor datum faillissement aan de fiscus gegeven borgstelling) ter

hoogte van om en nabij de 4 ton die dezelfde preferentie heeft als de

oorspronkelijke vordering van de Belastingdienst, ingetrokken. Dit moet nog in

het financieel verslag verwerkt worden.

07-01-2019

9

€ 3.482.705,00

Toelichting

actuele vordering fiscus opgevraagd en ontvangen

02-07-2019

11

€ 283.429,89

Toelichting

De vordering van de fiscus is grotendeels (bij wijze van voorschot) voldaan.

De restant vordering is om en nabij gelijk aan de door de curator t.z.t. nog

terug te ontvangen boedel-BTW.

31-03-2022

22

€ 506.580,84

Toelichting

€ 69.575,31 (ex art. 16 CSV)

€ 437.005,53 (ex art. 3:288 sub e BW)

03-07-2018

7

€ 444.519,90

Toelichting

€ 42.632,91 (ex art. 16 CSV) + € 401.886,99 (ex art. 3:288 sub e BW)

actuele vordering UWV opgevraagd en ontvangen

02-07-2019

11

€ 0,00

Toelichting

De vordering van het UWV is (bij wijze van voorschot) voldaan.

31-03-2022

22

8.4 Andere pref. crediteuren

8.5 Aantal concurrente crediteuren

8.6 Bedrag concurrente crediteuren

8.7 Verwachte wijze van afwikkeling

€ 29.570,27

Toelichting

werknemers ex art. 3:288 sub e BW.

03-07-2018

7

720

03-07-2018

7

€ 18.028.249,47

03-07-2018

7

€ 18.658.054,69

31-03-2022

22

8.7 Verwachte wijze van afwikkeling

8.8 Werkzaamheden crediteuren

n.n.b. 03-07-2018

7

Vanaf 1 oktober 2021 gaat de RABO-bank over saldi op de

faillissementsrekening van meer dan € 250.000,- een negatieve rente in

rekening brengen van 0,5%. Gelet daarop en gezien de hoogte van het saldo

op de faillissementsrekening is de curator voornemens om in dit faillissement

voor genoemde datum een tweede tussentijdse (100%) uitkering te doen aan

alle (resterende) boedelcrediteuren en preferente crediteuren.

Op deze wijze wordt voorkomen dat voornoemde te betalen negatieve rente

met name ten nadele van de concurrente crediteuren zal strekken.

05-07-2021

19

De curator zal (bij het doen van de in het vorige verslag genoemde tweede

tussentijdse uitkering) de door de boedel van de fiscus terug te ontvangen

BTW verrekenen met het aan de Belastingdienst verschuldigde bedrag ter zake

haar preferente vorderingen. Deze verrekening vergt controle van het saldo af

te dragen/terug te ontvangen BTW (blijkens het financieel verslag op dit

moment € 279.310,71) die thans nog niet is afgerond, maar in de komende

verslagperiode wel.

04-10-2021

20

Het doen van de tussentijdse uitkering zoals vermeld in de vorige verslagen

zou (in beginsel) meebrengen dat alle vorderingen (ook die van de concurrente

crediteuren) volgens de oude wettelijke regeling (die in dit faillissement

toepasselijk is) geverifieerd zouden moeten worden. Behalve dat dit veel

vertraging oplevert, gaat dit gepaard met aanzienlijke en op dit moment (nu de

concurrente crediteuren nog geen uitkering zullen ontvangen) niet doelmatige

boedelkosten. Gelet hierop zal de curator (na overleg met- en instemming van

de rechter-commissaris) genoemde preferente vorderingen aan de

Belastingdienst en UWV in dit stadium bij wijze van voorschot voldoen.

De curator zal dit in de komende verslagperiode effectueren.

03-01-2022

21

Voornoemde betalingen zijn verricht. Naar verwachting zal t.z.t. na afronding

van de truckkartelzaak en na definitieve betaling van alle resterende boedel-

en preferente crediteuren aan de concurrente crediteuren een (zij het

minimale) uitkering gedaan kunnen worden.

31-03-2022

22

8.8 Werkzaamheden crediteuren

9.1 Naam wederpartijen

9.2 Aard procedures

Alle crediteuren zijn aangeschreven. Vorderingen zijn geïnventariseerd. In

verslagperiode 6

zijn de crediteuren d.m.v. een circulaire op de hoogte gesteld van de actuele

stand van zaken.

Erkende boedelcrediteuren zijn voldaan. Met de Belastingdienst is een

bespreking gehouden.

Met het UWV is overleg gevoerd, onder meer over haar restant (boedel)

vordering.

Verschillende concurrente crediteuren zijn ingelicht over de actuele situatie,

ook in de

verslagperiodes erna.

03-07-2018

7

De curator heeft (mede in verband met de met Multifin bereikte schikking)

overleg gepleegd met UWV en fiscus over de hoogte van hun vorderingen en

van hen de meest recente opgave ontvangen en in het financieel verslag

verwerkt.

03-04-2019

10

En thans ook in dit verslag opgenomen.

Daarnaast heeft de curator met een aantal crediteuren contact gehad, met

name met de Nationale Borg i.v.m. de status van haar vordering na de regeling

met Multifin.

02-07-2019

11

Ook in deze verslagperiode heeft de curator vragen van diverse crediteuren

beantwoord.

02-10-2019

12

Idem in deze verslagperiode 03-04-2020

14

Voorbereiden tweede tussentijdse uitkering 04-10-2021

20

Het voorbereiden van genoemde voorschot-uitkering, het daartoe overleggen

met de rechter-commissaris etc.

03-01-2022

21

Het effectueren van de betalingen; overleg met UWV en fiscus. 31-03-2022

22

9. Procedures

Multifin B.V. (voorheen CTP) 03-07-2018

7

9.2 Aard procedures

9.3 Stand procedures

aansprakelijkheid grootaandeelhouder 03-07-2018

7

In dit verslag enkel nog een beschrijving van de thans nog lopende

procedures. Voor andere procedures zie vorige verslagen.

In verslagperiode 11 heeft de curator bij de rechtbank Groningen een

verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor ingediend gericht tegen Multifin en

ING. D.m.v. het horen van verschillende getuigen wil de curator zich een beeld

vormen van de gebeurtenissen welke aan het faillissement zijn voorafgegaan.

Hierbij zal met name de rol van Multifin (als

grootaandeelhouder) aan de orde komen, maar ook de opzegging van het

krediet door ING.

Multifin heeft zich tegen toewijzing van het verzoek (om getuigen te mogen

horen) niet verzet, ING daarentegen wel. De rechtbank heeft bij beschikking

d.d. 2 april 2012 het verzoek zowel wat betreft Multifin als wat betreft ING

toegewezen en een voorlopig getuigenverhoor bevolen.

De verhoren zijn vastgesteld op 12 en 18 september resp. 9 en 18 oktober

2012.

In verslagperiode 13 hebben de eerste twee getuigenverhoren

plaatsgevonden. In

verslagperiode 14 zijn opnieuw twee verhoren gehouden.

In verslagperiode 15 heeft slechts één van de drie geplande verhoordagen

doorgang

gevonden (wegens verhindering/ ziekte zijdens de rechtbank).

De curator -en zijn raadsman- hebben de nodige tijd besteed aan het

voorbereiden en

bijwonen van deze verhoren.

In verslagperiode 16 hebben twee zittingen plaatsgevonden. Alle getuigen zijn

nu gehoord op een na.

Het (laatste) getuigenverhoor is gehouden op 1 oktober 2013. Het

getuigenverhoor is dus in

verslagperiode 18 afgerond.

In verslagperiode 28 is op verzoek van de curator ten laste van Multifin een

aantal beslagen

(ook in het buitenland) gelegd en is de dagvaarding tegen Multifin uitgebracht.

De zaak zal

voor de eerste keer dienen op 20 juli 2016. De curator houdt in deze

procedure Mulitifin

aansprakelijk voor het gehele faillissementstekort.

In verslagperiode 29 zijn de nodige werkzaamheden in het kader van deze

procedure verricht, met name in verband met de (afwikkeling van de) gelegde

beslagen.

Multifin zal -in beginsel- op 12 oktober 2016 haar conclusie van antwoord

indienen.

In verslagperiode 30 heeft Multifin haar conclusie van antwoord ingediend.

Hierna heeft de

rechtbank de zaak voor repliek naar de rol verwezen. De curator zal zijn

conclusie van repliek -in beginsel- op 18 januari 2017 indienen.

In verslagperiode 31 heeft de curator zijn conclusie van repliek ingediend. De

zaak staat op dit moment op de rol van 12 april 2017 voor conclusie van

dupliek van de zijde van Multifin.

Op 26 april 2017 heeft Multifin gedupliceerd. Daarna heeft de curator een dag

voor pleidooi

03-07-2018

7

9.4 Werkzaamheden procedures

gevraagd dat inmiddels is vastgesteld op maandag 9 oktober om 9.30 uur.

De rechtbank heeft bij vonnis d.d. 13 december 2017 de vorderingen van de

curator

afgewezen. De curator beraadt zich over het instellen van hoger beroep tegen

dit vonnis.

Inmiddels is hoger beroep ingesteld. De zaak staat op de rol van 24 april 2018

voor grieven.

Verslagperiode 36: op 19 juni heeft de curator in de bodemprocedure zijn

memorie van grieven ingediend. De zaak staat nu voor memorie van antwoord

op de zitting van 22 juli 2018.

Daarnaast is Multifin -na het winnen in eerste aanleg van de bodemprocedure-

een kort geding procedure gestart tot opheffing van de destijds door de

curator ten laste van Multifin gelegde beslagen. Deze beslagen zijn door de

voorzieningenrechter bij vonnis d.d. 4 mei 2018 opgeheven. Tegen dit vonnis

heeft curator spoedappel ingesteld. De appeldagvaarding (incl. grieven) is

uitgebracht en Multifin heeft haar memorie van antwoord ingediend.

Vervolgens is een dag voor pleidooi gevraagd.

In de bodemprocedure is de memorie van antwoord door Multifin ingediend. De

zaak is aangehouden tot de rolzitting van 7 mei 2019 inzake beslissing hof

verdere voortgang

over nog door hof te bepalen periode waarover door partijen verhinderdata

moeten worden opgegeven t.b.v. meervoudige comparitie na memorie van

antwoord.

In het spoedappel tegen de opheffing van alle door de curator gelegde

beslagen door de voorzieningenrechter hebben partijen op 25 september 2018

bij het hof gepleit. Het arrest is vooralsnog bepaald op 23 oktober 2018.

02-10-2018

8

Bij arrest d.d. 23 oktober 2018 heeft het hof in het spoedappel het vonnis van

de voorzieningenrechter vernietigd in die zin dat het beslag op de onroerende

zaak en een tweetal derdenbeslagen herleven. De proceskosten zijn in beide

instanties gecompenseerd.

Hierna zijn tussen de curator en Multifin onderhandelingen over een schikking

van de nog lopende bodemprocedure op gang gekomen. Die onderhandelingen

hebben geleid tot overeenstemming in die zin, dat Multifin aan de boedel tegen

finale kwijting over en weer en intrekking van de lopende procedure een

bedrag van 1,2 miljoen euro heeft voldaan en een door haar in het

faillissement van DVTG ingediende preferente vordering van om en nabij de 4

ton heeft ingetrokken (vergelijk hierboven 8.2). In totaal gaat het dus om een

regeling waarmee een bedrag van 1,6 miljoen euro is gemoeid.

07-01-2019

9

Verslagperiode 36:

opstellen diverse processtukken:

-memorie van grieven in de hoofdzaak

-pleitaantekeningen in het kort geding

-appeldagvaarding (incl. grieven) in het spoedappel

03-07-2018

7

Verslagperiode 37:

-bestuderen MvA kort geding

-opstellen processtukken, met name akte houdende overlegging producties

-opstellen pleidooi

-bijwonen pleidooien

02-10-2018

8

Verslagperiode 38:

-het bestuderen van het hofarrest, het voeren van

schikkingsonderhandelingen en het bereiken van een regeling

07-01-2019

9

het afwikkelen van de gelegde beslagen 03-04-2019

10

Inzake de kartelclaim is inmiddels door NLTruckkartel B.V. een dagvaarding

uitgebracht tegen (onder meer) DAF, Iveco, Daimler, Volvo en Renault. De zaak

zal voor de eerste keer dienen op 29 januari 2020. In de dagvaarding is

vermeld dat (onder meer) DVTG en de Vries Cargo tot de ondernemingen

behoren die hun vorderingen aan NLTruckkartel hebben gecedeerd. De curator

procedeert dus niet rechtstreeks zoals in eerdere verslagen reeds aangestipt.

De curator heeft met name tijd besteed aan het nader onderbouwen van de

vordering met behulp van bewijsstukken zoals lease-contracten e.d. die hij aan

de advocaat van NLTruckkartel ter beschikking heeft gesteld.

02-10-2019

12

In deze verslagperiode is er nog verder gecorrespondeerd met (de advocaat

van) NL Truckkartel.

06-01-2020

13

De kartelzaak heeft voor de eerste keer gediend op 29 januari 2020.

Op 12 maart 2020 vond er bij de Rechtbank in Amsterdam een regiezitting

plaats die ging over het tijdpad van de tweede groep partijen (waaronder

DVTG). Tijdens de zitting werd duidelijk dat Hausfeld – de advocaat van

NLtruckkartel – schadevergoeding claimt voor het grootste aantal

vrachtwagens. In totaal hebben inmiddels ongeveer 7.000 partijen een

vordering ingesteld tegen de vrachtwagenfabrikanten voor ongeveer 400.000

vrachtwagens. Hausfeld claimt voor bijna de helft van dat aantal.

De rechtbank heeft mede daarom Hausfeld gevraagd om het overleg met

andere claimende partijen te coördineren en hierin een leidende rol in te

nemen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrachtwagenfabrikanten inhoudelijk

moeten reageren op de claims van de partijen uit de tweede groep in juli 2021.

Daarnaast wil de rechtbank dat de vrachtwagenfabrikanten in hun conclusie

van antwoord voor de tweede groep rekening houden met het tussenvonnis

van de rechtbank in maart 2021 (inzake de eerste groep eisers). De

verwachting is dat de rechtbank uiteindelijk gelijktijdig een eindvonnis zal

wijzen voor de eerste en tweede groep eisende partijen.

Duidelijk is dus dat deze procedure nog geruime tijd in beslag zal nemen.

03-04-2020

14

Deze procedure loopt; over de duur valt geen uitspraak te doen. 02-07-2020

15

Onze procedure maakt deel uit van de 20 dagvaardingen voor meer dan

200.000 vrachtwagens die door Hausfeld zijn uitgebracht begin dit jaar. De

rechtbank behandelt de truckkartelzaken in meerdere rondes. Onze zaak

maakt deel uit van de tweede ronde.

De conclusie van antwoord van de truckfabrikanten in de eerste ronde is in juli

2020 ingediend. De belangrijkste verweren van de truckfabrikanten zijn daar

reeds in opgenomen. De conclusie van antwoord voor de tweede ronde zaken

dient volgend jaar juli door de truckfabrikanten te worden genomen.

In de conclusie van antwoord is een veelheid aan verweren opgeworpen.

Naast de meer juridisch-technische verweren is het voornaamste verweer dat

de verboden prijsafspraken die zij hebben gemaakt de uiteindelijke

02-10-2020

16

vrachtwagenprijzen niet zouden hebben verhoogd.

Er zijn zittingen (voor de eerste ronde zaken) ingepland in de week van 23 t/m

27 november 2020.

Deze procedure zal nog veel tijd vergen.

Op 10 december heeft er een bijeenkomst via Teams plaats gevonden met

vertegenwoordigers van Hausfeld, waarin door hen een overzicht is gegeven

van de huidige stand van zaken in de diverse bij de rechtbank Amsterdam

aanhangige procedures.

1. Er zijn zaken aanhangig gemaakt in drie golven; DVTG zit in de tweede

golf. In de eerste golf zaken is onlangs een 4-daagse zitting geweest. Op

24.2.2021 wordt een inhoudelijk tussenvonnis verwacht waarin de

rechtbank zich zal uitspreken over een aantal materiële vraagstukken,

met name:

(i) Wat is de reikwijdte van het besluit van de EC?

(ii) Wat is de waarschijnlijkheid van de mogelijkheid op het lijden van

schade als gevolg van de kartelvorming?

(iii) Openbaarmakingsverplichting fabrikanten

2. Scania heeft zich destijds niet bij het EC-besluit neergelegd en daartegen

beroep ingesteld. Die zaak loopt nog steeds. Desalniettemin zijn de

karteldeelnemers hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade, dus ook die

m.b.t. de Scania-trucks. Scania heeft zich met name verzet tegen de

hoogte van de aan haar opgelegde boete.

3. Hausfeld acht het op dit moment waarschijnlijk dat er ergens na de

zomer van 2021 door de vrachtwagenfabrikanten een opening zal

worden geboden voor het beginnen van schikkingsonderhandelingen.

4. Het is de bedoeling dat in de tweede golf zaken de komende maanden

de achterliggende documentatie wordt vervolmaakt.

5. Het blijft een zaak van de lange(re) adem, maar vooralsnog met redelijke

perspectieven op een substantiële schadevergoeding. De procedure zelf

kost de boedel niets; alleen bij succes gaat een deel van de

schadevergoeding naar Hausfeld zoals eerder aangegeven.

08-01-2021

17

Het wachten is (vooralsnog) op het aangekondigde inhoudelijke tussenvonnis.07-04-2021

18

Op 12 mei 2021 is een inhoudelijk tussenvonnis gewezen in de eerste golf

zaken.

Dit vonnis geeft een indicatie wat in de latere procedures kan worden

verwacht: het is onwaarschijnlijk dat de rechtbank van gedachten verandert.

De uitspraak heeft betrekking op de volgende onderwerpen:

• de bindende kracht en reikwijdte van het besluit van de Europese Commissie

in deze procedure; en

• de aannemelijkheid dat het kartel schade heeft veroorzaakt.

Reikwijdte van het besluit van de Europese Commissie:

De rechtbank oordeelt dat:

• de truckfabrikanten zijn gebonden aan het volledige besluit van de Europese

Commissie, waarover ze negen maanden hebben kunnen onderhandelen;

• de inbreuk niet alleen bestond uit een “uitwisseling van informatie”, maar

ook uit een daadwerkelijke prijscoördinatie; en

• het besluit van de Europese Commissie tegen Scania uit 2017 overweldigend

bewijs leverde tegen de gedaagden, met gedetailleerde ontmoetingen en

informatie-uitwisselingen tussen de fabrikanten en dat het Scania besluit in

05-07-2021

19

deze procedure kan worden gebruikt om meer details over het kartel te geven.

De rechtbank oordeelt daarnaast dat het besluit niet alleen betrekking had op

de directe verkoop van nieuwe vrachtwagens, maar ook op de verkoop via

onafhankelijke dealers.

De aannemelijkheid van schade veroorzaakt door het kartel:

In deze fase van de procedure moesten eisers aantonen dat aannemelijk is

dat het kartel schade heeft kunnen veroorzaken.

De truckfabrikanten voerden voornamelijk aan dat de inbreuk helemaal niet tot

enige schade heeft kunnen leiden en dat de eisende partijen het tegendeel

onvoldoende hebben aangetoond. De economische theorieën van hun experts

hadden ten doel de afwezigheid van schade aan te tonen, met name door het

ontbreken van een verband tussen bruto prijslijsten en nettoprijzen.

De rechtbank volgde de truckfabrikanten hierin niet en oordeelt:

• Het maakte niet uit dat er misschien nog enige concurrentie was op de

vrachtwagenmarkt. Doordat de kartelbijeenkomsten op hoog niveau in de

organisatie van de fabrikanten plaatsvonden en alleen betrekking hadden op

de brutoprijslijsten, kon het beeld van een volledige concurrerende markt

zowel binnen als buiten de organisatie in stand worden gelaten.

• Een door de eisende partijen aangedragen schadetheorie werd als zeer

“concludent en overtuigend” beschouwd.

• “Ook ter zitting hebben de Truckfabrikanten geen overtuigend antwoord

kunnen geven op de vraag wat het doel was van de informatie-uitwisseling

over bruto lijstprijzen.”

De rechtbank concludeert daarom dat niet is uitgesloten dat het kartel tot

schade heeft geleid voor de eisende partijen.

Volgende stappen:

In de volgende fase van deze procedure moeten de eisende partijen aantonen

dat voor elke transporteur aannemelijk is dat hij door het onrechtmatig

handelen van de truckfabrikanten mogelijk schade heeft geleden.

In deze verslagperiode hebben zich geen noemenwaardige ontwikkelingen

voorgedaan.

04-10-2021

20

De truckfabrikanten hebben op 13 oktober 2021 hun conclusies van antwoord

ingediend in de "tweede golf" zaken, waaronder die van DVTG.

Deze conclusies wijken slechts in beperkte mate af van de conclusies van

antwoord die in de eerdere procedures door de truckfabrikanten werden

ingediend.

De beslissing van de rechtbank van 12 mei 2021 (in de eerste golf zaken)

wordt door de truckfabrikanten aan de kant geschoven:

o de inbreuk zou theoretisch gezien niet tot schade kunnen hebben geleid. De

truckfabrikanten zijn van plan om een additionele econoom, een expert op het

gebied van de ‘speltheorie’, te instrueren; en

o de besluiten van de Europese Commissie dienen volgens de truckfabrikanten

beperkt te worden geïnterpreteerd. In ieder geval dient de rechtbank de

uitkomst van het beroep van Scania tegen het boetebesluit bij de Europese

rechters af te wachten (die zich overigens ook nog zullen uitspreken over de

vraag of het boetebesluit van de Europese Commissie ook betrekking heeft op

vrachtwagens voor speciale doeleinden, zaak C-588/20).

Op andere fronten proberen de truckfabrikanten waar mogelijk de reikwijdte

van de vorderingen te beperken. Hiervoor gebruiken ze eveneens zeer

vergelijkbare argumenten als voorheen, namelijk dat:

o het kartel geen effect zou hebben gehad na 2011; en

03-01-2022

21

o het toepasselijk recht per transactie zou moeten worden bepaald, op basis

van waar de eerste koper van de vrachtwagen zich bevond (wat zou kunnen

betekenen dat sommige vorderingen zijn verjaard).

Vervolgstappen:

Op 2 februari 2022 zal het Europese Gerecht in Luxemburg beslissen of het

besluit van de Europese Commissie tegen Scania in 2017, waarbij Scania

beboet werd voor de participatie in het vrachtwagenkartel, in stand zal blijven

(zaak T-799/17).

Met betrekking tot de procedure van DVTG heeft de rechtbank Amsterdam een

hoorzitting geagendeerd van 13 tot 15 september 2022.

Al met al zal dit een zaak van de lange(re) adem worden.

Op 2 februari 2022 heeft het Gerecht van de Europese Unie in Luxemburg het

beroep van Scania tegen het boetebesluit van de Europese Commissie van

2017 volledig afgewezen en de deelname van Scania aan het

vrachtwagenkartel bevestigd.

Alle zes vrachtwagenwagenfabrikanten (Daimler, DAF, Iveco, Volvo/Renault,

Man en Scania) waren aanvankelijk schikkingsgesprekken aangegaan met de

Europese Commissie. In tegenstelling tot de vijf andere

vrachtwagenfabrikanten (die in 2016 hun betrokkenheid bij het kartel

erkenden en daarvoor een boete van €2,93 miljard kregen opgelegd)

ontkende Scania betrokken te zijn geweest bij het kartel. De Europese

Commissie zette haar onderzoek naar Scania’s deelname aan het kartel

volgens de standaardprocedure voort, wat op 27 september 2017 leidde tot

een boete van €880 miljoen.

Scania ging tegen dit besluit in beroep bij het Gerecht van de EU en voerde

aan dat zij geen pan-Europese kartelovereenkomsten had gesloten met

andere vrachtwagenfabrikanten. Op 2 februari 2022 verwierp het Gerecht van

de EU Scania’s beroep en de boete van de Europese Commissie werd

gehandhaafd.

De belangrijkste punten uit de uitspraak zijn dat:

1. het Gerecht heeft bevestigd dat “Scania rechtstreeks heeft deelgenomen

aan alle relevante aspecten van het kartel”; en

2. de procedure van de Europese Commissie (waaronder het gebruik van

de zogenoemde “hybride” kartelprocedure om eerst het schikkingsbesluit

van 2016 te nemen alvorens de reguliere procedure tegen Scania te

doorlopen in verband met hetzelfde kartel) geen inbreuk heeft gemaakt

op Scania’s vermoeden van onschuld of op haar rechten van verdediging.

Scania heeft tot 2 april 2022 de tijd om hoger beroep bij het Europees Hof van

Justitie aan te tekenen tegen dit arrest.

De andere vrachtwagenfabrikanten hadden Scania reeds in vrijwaring

opgeroepen bij de procedures die bij de rechtbank Amsterdam aanhangig zijn.

31-03-2022

22

Op 14 juni 2022 heeft de rechtbank Amsterdam een voorlopige planning

vastgesteld voor alle procedures in de truckskartelzaak. De vordering van

DVTG maakt deel uit van de tweede wave van procedures.

Nederlandse schadevergoedingsprocedures bestaan meestal uit twee “fases”:

een declaratoire fase waarin de aansprakelijkheid wordt vastgesteld en een

schadestaat fase waarin de uit die aansprakelijkheid voortvloeiende schade

30-06-2022

23

wordt gekwantificeerd. In sommige gevallen kan de rechtbank ook besluiten

om de schade meteen in de eerste fase vast te stellen waardoor een

verwijzing naar de schadestaat niet langer nodig is.

Alle waves bevinden zich nu in de eerste fase, waarin de rechtbank zal

beslissen of de vrachtwagenfabrikanten aansprakelijk zijn voor de schade.

Mocht de rechtbank inderdaad een dergelijke aansprakelijkheid vaststellen,

dan zal het de vordering van DVTG verwijzen naar de schadestaat waarin de

schade zal worden gekwantificeerd.

Voorlopig tijdschema:

Eerste wave

De rechtbank zal naar verwachting, in navolging van de hoorzitting van 29

maart 2022, op 13 juli 2022 uitspraak doen in de eerste wave over (i) de

geldigheid van de onderliggende cessies; (ii) de toepasselijkheid van het

Nederlandse regime voor collectieve acties op deze vorderingen; en (iii) het

toepasselijk recht.

Op 14 juni 2022 deelde de rechtbank een voorlopig tijdschema met daarin de

volgende stappen volgend op het vonnis van juli 2022:

in het eerste kwartaal van 2023 wordt indien nodig nog een hoorzitting

gepland om de resterende onderwerpen, die de vrachtwagenfabrikanten

in hun conclusies van antwoord van 1 juli 2020 betwisten, te

behandelen; gevolgd door

een definitieve uitspraak over de aansprakelijkheid van de

vrachtwagenfabrikanten in het derde kwartaal van 2023, waarbij de

vorderingen in de eerste wave mogelijk door zullen worden verwezen

naar de schadestaat procedure.

Tweede wave

In navolging van de conclusies van antwoord die door de

vrachtwagenfabrikanten op 13 oktober 2021 werden ingediend heeft de

rechtbank een zitting gepland van 13 tot 15 september 2022. De rechtbank zal

in de komende weken een agenda voor deze zitting bekendmaken.

De rechtbank heeft tevens de volgende stappen opgenomen in het voorlopige

tijdschema van 14 juni 2022:

een tussenvonnis in januari of februari 2023 over de onderwerpen die

tijdens de hoorzitting in september 2022 aan bod zijn gekomen; gevolgd

door

een hoorzitting in het vierde kwartaal van 2023 waarin overige

onderwerpen behandeld kunnen worden; waarna

in het eerste kwartaal van 2024 een definitieve uitspraak wordt gedaan

over de aansprakelijkheid van de vrachtwagenfabrikanten, waarbij uw

vorderingen mogelijk door worden verwezen naar de schadestaat

procedure.

Op 27 juli heeft de rechtbank Amsterdam in de ‘eerste golf’ zaken uitspraak

gedaan over de ontvankelijkheid van NLtruckkartel, de rechtsgeldigheid van de

cessie-overeenkomsten van NLtruckkartel en het toepasselijk recht op de

vorderingen. De rechtbank wees daarbij alle verweren van de truckfabrikanten

af.

Deze uitspraak is van belang voor alle zaken, ook al wordt deze uitspraak

gegeven in de procedure voor de 'eerste golf' zaken.

29-09-2022

24

De rechtbank heeft - in lijn met het standpunt van NLtruckkartel - geoordeeld

dat de cessie-overeenkomsten rechtsgeldig zijn. NLtruckkartel is dan ook

bevoegd om de schade die is geleden op de truckfabrikanten te verhalen.

De rechtbank heeft ook geoordeeld dat het Nederlandse regime voor

collectieve acties niet van toepassing is. NLtruckkartel hoeft daarom niet aan

allerlei extra juridische verplichtingen te voldoen.

De rechtbank Amsterdam heeft een aanvankelijk voor 13 en 14 september

geplande (vervolg)zitting geannuleerd wegens ziekte van een van de rechters.

De rechtbank heeft in juni 2022 een voorlopig schema met partijen gedeeld. Dit

schema rekende er op dat een definitieve uitspraak over de aansprakelijkheid

van de vrachtwagenfabrikanten mogelijk in 2024 zou worden gegeven.

De tweede fase van de procedure, die zal gaan over de kwantificering van de

schade, zal dan van start gaan en ingaan op de omvang van de schade die de

vrachtwagenfabrikanten moeten vergoeden.

In de eerste golf van vorderingen wordt een uitspraak in de eerste fase van de

procedure – gewijd aan de aansprakelijkheid van de vrachtwagenfabrikanten –

eind 2023 verwacht. Hoewel beroep kan worden aangetekend tegen dit

vonnis, waardoor de procedure verder kan worden vertraagd, zou een

uitspraak in het voordeel van de claimanten in de eerste golf van claimanten

ook zeer gunstig kunnen zijn voor de vorderingen in de tweede en derde golf

van vorderingen.

11-01-2023

25

De curator heeft zich in deze verslagperiode met name bezig gehouden met

het (op verzoek van Truckkartel) nader invullen en vervolmaken van de

vrachtwagengegevens, nodig voor het zo volledig mogelijk kunnen claimen van

de door DVTG geleden schade.

06-04-2023

26

Op 7 juni 2023 vond bij de rechtbank Amsterdam een zitting plaats in de

tweede wave van zaken tegen de vrachtwagenfabrikanten. De vordering van

DVTG maakt daar onderdeel van uit. Tijdens de zitting zijn de volgende vijf

onderwerpen aan bod gekomen:

1. De reikwijdte van de besluiten van de Europese Commissie, waarbij de

vrachtwagenfabrikanten een boete is opgelegd voor hun deelname aan

het vrachtwagenkartel;

2. De bewijskracht die aan deze besluiten moet worden toegekend;

3. De geldigheid van de cessies en lastgevingsovereenkomsten (in dit geval

die aan NLtruckkartel);

4. Het toepasselijke recht op de vorderingen;

5. De juridische positie van claimanten die transportdiensten van logistiek

dienstverleners hebben afgenomen (in tegenstelling tot directe afnemers

van vrachtwagens).

De rechtbank heeft tijdens de zitting haar bedenkingen geuit over haar

eerdere beslissing om op alle vorderingen Nederlands recht van toepassing te

verklaren. Tijdens de zitting heeft de rechtbank het voornemen uitgesproken

om op dit punt prejudiciële vragen te stellen aan de Nederlandse Hoge Raad.

Het is op dit moment niet bekend wat de gevolgen van het stellen van

prejudiciële vragen zullen zijn voor deze procedure. Het nadeel is dat er

vertraging kan ontstaan. Het voordeel is dat duidelijkheid vooraf over dit punt

beter is dan wanneer de fabrikanten in een later stadium hoger beroep

instellen. Dat laatste betekent zeker vertraging.

06-07-2023

27

Nu DVTG in de kartelperiode (1997-2011) vrachtwagens heeft geleased van

Nederlandse dealers, is de discussie over het toepasselijke recht nauwelijks

relevant. Op deze transacties zal vrijwel zeker Nederlands recht van

toepassing zijn. Dat betekent dat ook de huidige schadevordering van DVTG op

de fabrikanten wordt beheerst door Nederlands recht.

De rechtbank heeft aangegeven op korte termijn helderheid te verschaffen

over het voornemen prejudiciële vragen te stellen.

Vervolg:

In de eerste wave procedures heeft de rechtbank Amsterdam al een

voordelige uitspraak gedaan ten aanzien van de eerste vier punten (in twee

tussenvonnissen van 12 mei 2021 en 27 juli 2022). De argumenten van zowel

de vrachtwagenfabrikanten als de claimanten zijn daarmee grotendeels

behandeld en behoeven – op het toepasselijk recht op de vorderingen na -

geen verdere toelichting in deze fase.

Op 13 september 2023 heeft de rechtbank Amsterdam een tussenvonnis

gewezen in de groep procedures (waaronder DVTG) over het toepasselijke

recht op de vorderingen. Daarin bevestigde de rechtbank haar voornemen om

prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, zodat er in een zo vroeg

mogelijk stadium duidelijkheid kan ontstaan over dit onderwerp. De

prejudiciële procedure kan tussen de negen en twaalf maanden in beslag

nemen.

Namens DVTG is aangevoerd dat Nederlands recht van toepassing is op haar

vordering(en) op de truckfabrikanten, zoals de rechtbank in haar tussenvonnis

van 27 juli 2022 in de eerste groep procedures heeft bepaald. De

truckfabrikanten menen dat dit oordeel niet juist is, en hebben betoogd dat

een veelheid aan buitenlandse regels op de vorderingen van toepassing is.

In het tussenvonnis van 13 september 2023 heeft de rechtbank:

bevestigd dat de procedure zal worden aangehouden totdat de Hoge

Raad heeft gereageerd op de prejudiciële vragen;

een concept van de prejudiciële vragen gedeeld met de partijen, die tot

11 oktober 2023 de tijd hebben om hierop te reageren.

Met de prejudiciële vragen die de rechtbank Amsterdam aan de Hoge Raad zal

voorleggen, wordt verzocht om een verduidelijking van het criterium dat moet

worden gebruikt bij de bepaling van het toepasselijke recht. De rechtbank

onderscheidt twee mogelijke criteria die kunnen worden gebruikt om te

bepalen welk recht van toepassing is op de vorderingen op de

truckfabrikanten:

Het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen is gevestigd; of

Het land waar de vrachtwagen of transportdienst is afgenomen, te

weten

o de plaats waar de verkoper is gevestigd of

o indien een claimant of achterliggende partij vrachtwagens heeft

afgenomen in verschillende landen, het land van de zetel van de

betreffende claimant of achterliggende partij.

Aangezien DVTG met haar in Nederland gevestigde onderneming vrachtwagens

heeft gekocht van een Nederlandse dealer, zal op die transactie vrijwel zeker

Nederlands recht van toepassing zijn.

De prejudiciële vragen van de rechtbank hebben ook betrekking op de

interpretatie van het Europese recht. Het is daarom mogelijk dat de Hoge Raad

een oordeel van het Europese Hof van Justitie zal willen vragen, wat mogelijk

05-10-2023

28

tot verdere vertraging zou kunnen leiden.

Indien de Hoge Raad bevestigt dat Nederlands recht van toepassing is op de

vorderingen, dan zullen de truckfabrikanten dit punt niet langer succesvol

kunnen aanvechten in hoger beroep.

Op 8 november 2023 heeft de rechtbank Amsterdam een vonnis gewezen met

betrekking tot de inhoud van de prejudiciële vragen die aan de Hoge Raad

worden gesteld. De vragen luiden als volgt:

Moet de “single and continuous infringement” (enkelvoudige en

voortdurende inbreuk) van de truckfabrikanten worden beschouwd als

een schadeveroorzakende gebeurtenis die leidt tot:

o afzonderlijke vorderingen op het moment dat de schade wordt

geleden, namelijk het moment waarop een truck is gekocht? Iedere

afnemer zou dan één vordering hebben per truck, of

o een enkelvoudige schadevordering per gedupeerde, bestaande uit

verschillende schadeposten? Iedere afnemer zou dan slechts één

vordering hebben;

Moet voor de bepaling van het toepasselijk recht worden aangeknoopt

bij:

o het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen is gevestigd, of

o de plaats waar de verkoper, of aanbieder van de transportdiensten, is

gevestigd, of

o de plaats waar de afnemer is gevestigd;

Hoe moet het Europese recht worden toegepast:

o Op vorderingen voor 2009 op grond van Europese

doeltreffendheidsbeginsel;

o Op vorderingen na 2009, op voorwaarde dat er aan een aantal eisen –

deze moeten nader worden bepaald – worden voldaan.

De procedure bij de Hoge Raad is inmiddels gestart (partijen hebben tot 30

januari 2024 de tijd om hun standpunt over de beantwoording van de

prejudiciële vragen in te dienen). De gehele procedure kan tot 12 maanden in

beslag nemen en zou mogelijk langer kunnen duren als de Hoge Raad advies

wil inwinnen bij het Europese Hof van Justitie over de interpretatie van

Europees recht.

Tegelijkertijd heeft de rechtbank Amsterdam bekend gemaakt dat zij op 14

februari 2024 een beslissing neemt over de voortzetting van de procedure.

Daarbij vermeldde zij ook dat de procedure waarin DVTG partij is niet wordt

aangehouden totdat de Hoge Raad de prejudiciële vragen heeft beantwoord.

12-01-2024

29

Europese procedure:

Op 1 februari 2024 heeft het Europese Hof van Justitie het beroep van Scania

tegen het boetebesluit van de Europese Commissie van €880.523.000 in

verband met Scania’s deelname aan het truckkartel afgewezen.

De Europese Commissie had deze boete op 27 september 2017 aan Scania

opgelegd.

In de loop van beide beroepsprocedures voerde Scania aan dat zij geen pan-

Europese kartelovereenkomsten was aangegaan met andere truckfabrikanten.

Ook beweerde zij dat er sprake was van vooringenomenheid bij het onderzoek

van de Europese Commissie.

Het besluit van het Hof van Justitie om Scania’s beroep te verwerpen is

definitief. Dit is positief nieuws, aangezien het bestaan van het kartel en de

identiteit van de kartelleden daarmee niet meer kan worden betwist. Dat heeft

05-04-2024

30

tot gevolg dat Scania haar civielrechtelijke aansprakelijkheid niet langer kan

ontlopen door te stellen dat zij geen lid was van het kartel.

Nederlandse procedure:

Op 13 maart 2024 heeft de rechtbank Amsterdam een beslissing genomen in

de groep van truckprocedures waar DVTG deel van uitmaakt.

De rechtbank heeft aangegeven dat de procedure in deze groep op dezelfde

manier moet worden voortgezet als was aangekondigd in de eerste groep van

zaken in het tussenvonnis van 28 februari 2024. Dit in afwachting van het

antwoord van de Hoge Raad op de in de tweede groep gestelde prejudiciële

vragen over het toepasselijke recht op de vorderingen tegen de

Truckfabrikanten.

De rechtbank heeft verder vastgesteld dat er nog een extra ronde van

schriftelijke uitwisseling nodig is voordat er een uitspraak kan worden gedaan.

Hierbij heeft de rechtbank opgemerkt dat eisers hun claims verder hebben

onderbouwd door aanvullende informatie te verstrekken. Deze aanvullende

informatie is door de truckfabrikanten geanalyseerd, en nu vraagt de

rechtbank eisers op deze analyse te reageren en eventueel data aan te vullen

waar nodig.

De rechtbank benadrukt het belang van een gedetailleerde onderbouwing van

alle transacties per vrachtwagen en verzoekt om deze informatie te

verstrekken volgens een specifiek aangegeven format. Hoewel de rechtbank

nog niet definitief heeft aangegeven welke informatie precies nodig is, heeft ze

wel suggesties gedaan op basis van een eerder tussenvonnis. Ook begrijpt de

rechtbank dat niet alle transactiedocumenten meer beschikbaar zijn, gezien

het tijdsverloop.

Daarnaast wil de rechtbank dat de betrokken partijen zich uitspreken over het

voorstel van de rechtbank om nu al de omvang van de schade vast te stellen,

in plaats van dit uit te stellen tot een aparte procedure waarbij de omvang van

de schade wordt vastgesteld. Dit betekent dat de discussie niet alleen zal

gaan over de vraag of er schade is geleden, maar ook over hoeveel schade

eisers hebben geleden.

Eisers dienen de rechtbank uiterlijk op 10 april 2024 te informeren over

wanneer zij de gevraagde informatie kunnen verstrekken. Op deze nog vast te

stellen datum kunnen partijen ook reageren op de vragen van de rechtbank

over het direct vaststellen van de omvang van de geleden schade.

Conclusie:

Het einde in deze langslepende procedure is (helaas) nog niet in zicht.

NLtruckkartel heeft in deze verslagperiode een schikking getroffen met DAF

voor de claims inzake het truckkartel. Deze schikking betreft enkel DAF-trucks.

Deze schikking moet nog nader geëffectueerd worden. Nog niet duidelijk is

welke consequenties dit voor DVTG heeft. Die consequenties zullen in die zin

beperkt zijn, nu DVTG slechts een beperkt aantal DAF trucks had. Een en ander

zal in de komende verslagperiode waarschijnlijk duidelijk worden.

04-07-2024

31

Ter zake de met DAF getroffen schikking zal de boedel in totaal een bedrag van

€ 26.264,70 (netto, onder aftrek succes fee van 20%) ontvangen. De bedragen

zullen binnenkort tot uitkering komen, naar de curator verwacht: in de

komende verslagperiode.

03-10-2024

32

10.1 Plan van aanpak

De belangrijkste claim van DVTG betreft die tegen Scania; die zaak loopt nog.

De Rechtbank heeft partijen op 24 juli 2024 geïnformeerd dat, aangezien alle

partijen het met de Rechtbank eens waren dat een aparte

schadestaatprocedure overbodig zou zijn, het bedrag van de toe te kennen

schadevergoeding in de hoofdprocedure zal worden bepaald. Dit betekent dat

de huidige discussie bij de Rechtbank zich niet alleen zal richten op de vraag óf

er schade is geleden, maar ook op de vraag hoeveel schade de claimanten

hebben geleden.

Het schikkingsbedrag is nog niet voldaan. Dit zal in 'batches' gebeuren en

vooralsnog is niet duidelijk wanneer DVTG 'aan de beurt' is.

09-01-2025

33

10. Overig

In verslagperiode 28 is besloten om Multifin in rechte te betrekken (zie verder

hierboven

9.1 en 9.3). In verslagperiode 29 heeft de procedure een aanvang genomen.

Genoemde

procedure zal de nodige tijd in beslag nemen.

Na de pleidooien zal de rechtbank vonnis wijzen.

In deze verslagperiode heeft de curator ook contact gehad met mr. Zippro

(kartelrecht

advocaat) in verband met een mede met behulp van dit kantoor in te stellen

(collectieve)actie tot schadevergoeding tegen een aantal

vrachtautofabrikanten die ingevolge een uitspraak van het Europees Hof

gedurende een langere periode voor datum faillissement DVTG te hoge prijzen

voor vrachtauto's in rekening hebben gebracht. Voor DVTG zou deze (op no

cure no pay basis te starten) actie interessant kunnen zijn, gezien haar

uitgebreide wagenpark. Decurator wacht nu op nadere info.

Op dit front valt weinig te melden. De curator is in afwachting van nadere

info/gegevens

teneinde zijn vordering te kunnen kwantificeren.Inmiddels heeft de curator zijn

claim gemeld en daarna een uitnodiging ontvangen deze claim nader te

onderbouwen, hetgeen hij in de komende verslagperiode zal doen.

Inzake het "Truckkartel" heeft de curator een voorlichtingsbijeenkomst in

Breukelen

bezocht. Ook is een aantal stukken ondertekend, waaronder een akte van

cessie. De

(mede namens de curator t.z.t. door het "Truckkartel" in te dienen) claim zal in

deze

verslagperiode nader moeten worden onderbouwd met door de curator aan te

leveren

bewijsstukken. Daartoe zal (onder meer) de opgeslagen administratie van

DVTG nader

onderzocht moeten worden.

Verslagperiode 36: de curator is nog niet toegekomen aan het nader

onderbouwen van de claim.

03-07-2018

7

10.2 Termijn afwikkeling faillissement

10.3 Indiening volgend verslag

10.4 Werkzaamheden overig

Verslagperiode 37: onderbouwing moet noch gestalte krijgen 02-10-2018

8

Verslagperiode 38: de curator is bezig geweest met het verzamelen van de

voor het succesvol indienen van een claim benodigde gegevens. Specifieke

informatie van de door DVTG geleasede vrachtauto's (kentekens,

chassisnummers, duur contract, leaseprijzen) zijn, in ieder geval voor zover het

de periode na 1 januari 2008 betreft, nog beschikbaar. Verder zal de curator in

de komende verslagperiode ook onderzoek doen in de door hem destijds (bij

IMS/HUSA) opgeslagen administratie en daarna zijn bewijsstukken opsturen

naar het "Truckkartel" .

07-01-2019

9

In deze verslagperiode heeft de curator in Amsterdam een bespreking gevoerd

met de door hem ingeschakelde advocaat i.v.m. de kartelclaim. Waarschijnlijk

zullen de vrachtautofabrikanten in de komende verslagperiode gedagvaard

worden.

02-07-2019

11

Over de kartelclaim zal (nu er inmiddels een procedure is gestart) in het

vervolg in hoofdstuk 9 verslag gedaan worden.

02-10-2019

12

termijn afwikkeling is afhankelijk van (a) de -uiteindelijke- afloop van de

procedures tegen

Multifin alsmede (b) de afwikkeling van de "kartelclaim".

03-07-2018

7

Dit faillissement kan (in beginsel) worden afgewikkeld, zodra er duidelijkheid is

over de "kartelclaim".

De curator gaat er -op dit moment en onder voorbehoud- vanuit, dat de

regeling met Multifin in combinatie met de (mogelijke) revenuen uit de

kartelclaim het mogelijk maken om ook aan de concurrente schuldeisers van de

failliete DVTG-vennootschappen een (zij het geringe) uitkering te kunnen doen.

07-01-2019

9

De curator heeft in deze verslagperiode (na onderzoek onder meer in de elders

opgeslagen administratie) de kartelclaim nader onderbouwd en lijsten

(templates) met daarop alle hem bekende gegevens m.b.t. de na 1 januari

2008 tot datum faillissement op het bedrijf aanwezige trucks ingevuld en

opgestuurd.

03-04-2019

10

Eerst zal de kartelclaimkwestie afgewikkeld moeten worden. 02-07-2019

11

Zie bij verslag 11 02-10-2019

12

Zie bij verslag 11 06-07-2023

27

10.4 Werkzaamheden overig

Bijlagen

Zie hierboven 03-07-2018

7

Bijlagen